Vraagbaak

Met een eenvoudige klik op onderstaande vragen komt u bij het antwoord terecht. Heeft u vragen die hier niet aan bod komen, aarzel dan niet om ons te contacteren via phytofar@fedichem.be

Specifieke informatie nodig? Klik hier

Vraag 1 : Waarom een stijgende productie steunen ?
Vraag 2 : Waarom hebben we gewasbeschermingsmiddelen (GBM) nodig ?
Vraag 3 : Wat zijn de eisen van een erkenningsdossier ?
Vraag 4 : Hoe zit het met de oudere actieve stoffen ?
Vraag 5 : Wat is het verschil tussen 'gevaar' en 'risico' ?
Vraag 6 : Zijn de plantenbeschermingsmiddelen toxisch ?
Vraag 7 : Hoe zit het met de residu's in de voeding ?
Vraag 8 : Hoe gebeurt de residucontrole en welke programma's bestaan er?
Vraag 9: Hoe zit het met de biologische landbouw ?
Vraag 10: Zijn gewasbeschermingsmiddelen schadelijk voor het milieu ?
Vraag 11 : Waarom een duurzame landbouw steunen ?
Vraag 12 : Welke zijn de regels die dienen in acht genomen te worden bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ?
Vraag 13 : Waarvoor staat "Integrated Crop Management" of ICM ?
Vraag 14 : Hoe zit het met de vermindering van de hoeveelheid actieve stof per hectare ?
Vraag 15 : Hebben de producten voor de plantenbescherming impact op de kwaliteit van onze voeding ?
Vraag 16 : Gewasbeschermingsmiddelen en water ?
Vraag 17 : Waarom worden zaadbehandelingen uitgevoerd?
Vraag 18 : Beïnvloeden GBM de hormoonhuishouding ?

Vraag 19 : Verhogen GBM de kans op kanker ?

Vraag 20 : Zijn er potentiële effecten van multiresiduen (cocktaileffecten) bij het gebruik van meerdere GBM?
Vraag 21 : Zijn GBM betrokken bij 'REACH' ?
Vraag 22 : Wat met pesticiden in ons bloed ?
Vraag 23 : Vormen GBM een groter risico voor zuigelingen en kinderen ?
Vraag 24 : Moeten fruit en groenten worden gewassen ?
Vraag 25 : Wat is het Koninklijk Besluit voor meldingsplicht, autocontrole en traceerbaarheid ?
Vraag 26 : Hebben GBM een nadelige invloed op bijen en andere nuttige insecten ?
Vraag 27 : Wat is de visie van Phytofar betreffende het voorzorgs- en het substitieprincipe ?


Vraag 1 : Waarom een stijgende productie steunen ?

In onze Westerse landen is er voldoende voedsel van goede kwaliteit aanwezig. Dit is echter niet overal zo. De wereldbank stelt dat de productie van voeding zou moeten verdubbelen in de volgende jaren om te beantwoorden aan de vooropgestelde cijfers van de bevolkingsgroei. Tegen 2050 schat men de wereldbevolking op 8 à 10 miljard mensen. Om al die monden te voeden is een verdubbeling van de voedselproductie nodig. Dit is een hele uitdaging voor de landbouw.
Graan is de basisvoeding voor ongeveer 35% van de bevolking. Op wereldschaal heeft de huidige graanvoorraad een voorsprong van 59 dagen. In het kader van de huidige wereldconsumptie, schat de wereldbank dat er gemiddeld een stock moet zijn van 90 dagen om gewapend te zijn tegen alle natuurverschijnselen. Dit theoretisch gemiddelde is anderhalve keer groter dan de huidige graanvoorraad.
Er bestaan twee mogelijkheden om de productie te doen toenemen: de oppervlakte vergroten en/of de productie verbeteren. Daar de beschikbare oppervlakte voor landbouw alsmaar meer zeldzaam wordt en daar ontbossing dramatische ecologische gevolgen met zich meebrengt (erosie, vernietiging van de ozonlaag,…), blijft er maar één oplossing over: de productie per hectare verhogen.

 

Vraag 2 : Waarom hebben we gewasbeschermingsmiddelen (GBM) nodig ?

De belangrijkste toepassing van producten voor plantenbescherming is in de landbouw. De landbouwgewassen dienen beschermd te worden tegen diverse belagers: onkruiden, ziekten, insecten,…. Een studie* toonde aan dat bij een reductie van 75% van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, 30 tot 50% van de landbouwproductie verloren zou gaan. Dankzij het gebruik van doeltreffende gewasbescherming is er dus minder grond nodig voor eenzelfde voedselproductie en blijft er bijgevolg meer grond voor natuur en recreatie.

Er zijn er nog een pak andere redenen:

Gezondheid: de producten voor plantenbescherming redden tientallen miljoenen levens door ziektes te beheersen zoals malaria, slaapziekte, enz. Via gewasbescherming kunnen ook schimmels bestreden worden die toxische stoffen (mycotoxines) produceren evenals giftige onkruiden (vb. zwarte nachtschade) die anders in de voedselketen zouden terecht komen.
Sociaal -Economisch: een doeltreffende gewasbescherming laat toe voedsel te produceren aan relatief lage kostprijs omdat ze een hogere opbrengst per hectare toelaten en er minder arbeid nodig is. Hierdoor is voldoende vers voedsel van hoge kwaliteit vrijwel voor iedereen betaalbaar geworden.

*Crop Protection: Costs and Benefits to Society and the Economy; Professor Michael Schmitz, Agribusiness Institute, University of Gießen, Germany; November 2001

 

Vraag 3 : Wat zijn de eisen van een erkenningsdossier ?

Het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen wordt geregeld door de Europese richtlijn 91/414.
De actieve stof moet worden onderzocht en erkend op Europees niveau.
De toelating voor het gebruik in een bepaalde lidstaat van het handelsproduct met een Europees erkende actieve stof behoort daarentegen tot de bevoegdheid van de nationale overheden (Koninklijk Besluit 28/02/1994).

De eisen voor de toelating zijn talrijk met onder meer:

  • een toxicologisch dossier dat de meest uiteenlopende effecten op de mens controleert:
    • acute toxiciteit (korte termijn);
    • subchronische en chronische toxiciteit (lange termijn);
    • andere studies omtrent toxiciteit;
  • een eco-toxicologisch dossier : preciseert het gedrag en de evolutie in de verschillende natuurlijke omgevingen (water-grond-lucht);
  • een biologisch dossier dat het bewijs levert van de werkzaamheid, de efficiëntie en selectiviteit ten overstaan van de desbetreffende teelt.

Deze dossiers worden opgesteld op basis van studies uitgevoerd volgens strict voorgeschreven standaard procedures door onafhankelijke onderzoeksinstellingen of door de industrie zelf. Om deze onderzoeken te mogen uitvoeren moeten de labo's door officiële, onafhankelijke instanties goegekeurd en gecontroleerd worden (GLP - GEP).

Voor de nationale goedkeuring wordt een erkeningscomité opgesteld dat samengesteld is uit deskundigen van verschillende ministeries die elk op hun terrein over het dossier oordelen. Dat zijn:

  • Het vroegere Ministerie van Landbouw over de biologische en ecotoxicologische resultaten;
  • De Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Leefimileu en Veiligheid van de voedselketen over de toxicologische resultaten;
  • De Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal overleg over de resultaten met betrekking tot de veiligheid voor het personeel tijdens de productie en het gebruik van het product.

Door de regionalisering van het vroegere Ministerie van Landbouw is men bezig met de herwerking van de samenstelling van het erkenningscomité.
Voorstel:

  • Het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en de Hoge Gezondheidsraad over de toxicologische resultaten;
  • De Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Leefimileu en Veiligheid van de voedselketen over de biologische en ecotoxicologische resultaten;
  • De Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal overleg over de resultaten met betrekking tot de veiligheid voor het personeel tijdens de productie en het gebruik van het product.

Het comité doet eveneens een beroep subcomités, bestaande uit onafhankelijke experten, die deelaspecten van het dossier, zoals ecotoxicologie, toxicologie, gedrag in het milieu en biologie evalueren en hierover advies geven aan het erkenningscomité. Deze onafhankelijke experts zijn werkzaam in universiteiten, instituten, opzoekingsstations, …

Indien het product, na grondig onderzoek, voldoet volgens al deze commissies, krijgt het een goedkeuringsakte.
De kostprijs om een nieuw product op de markt te brengen, loopt momenteel op tot 150 à 200 miljoen euro en neemt 8 tot 10 jaar in beslag.

 

Vraag 4 : Hoe zit het met de oudere actieve stoffen ?

De Europese richtlijn 91/414 heeft de gestelde eisen in het kader van een goedkeuring heel wat doen evolueren. De Europese eisen zijn zeer streng en er is geen enkele reden om die eisen niet toe te passen op de actieve stoffen die reeds gebruikt worden. Daarom is het voorzien in de richtlijn dat alle oude actieve stoffen onderzocht moeten worden in het Europese herzieningsprogramma.

De herziening gebeurt in verschillende stappen. Eind 2003 werden op basis hiervan van de 830 bestaande actieve stoffen reeds 430 stoffen teruggetrokken omdat ze ofwel niet voldoen aan het strenge en zeer uitgebreide eisenpakket ofwel omdat de nodige studies niet werden ingeleverd door de industrie.

 

Vraag 5 : Wat is het verschil tussen 'gevaar' en 'risico' ?

Dagelijks wordt ieder van ons geconfronteerd met een hele hoop van mogelijke gevaren. Het risico dat we daarbij lopen, wordt bepaald door de wijze waarop we met die gevaren omspringen. Het is enkel en alleen door zich open te stellen voor een mogelijk gevaar dat men risico loopt.
Een voorbeeldje ter verduidelijking: een aardappelmesje op zich is wegens zijn scherpheid gevaarlijk, vooral wanneer het in handen van kinderen terecht komt kan het ernstige gevolgen geven. Wanneer het aardappelmesje veilig in een schuif ligt, blijft het mogelijke gevaar op verwonding bestaan maar men stelt zich er niet aan bloot want men gebruikt het mesje niet, er is dus geen risico. Wanneer het mesje echter in de hand genomen wordt, wordt een risico genomen. Het uiteindelijke risico is bovendien afhankelijk van wie het mesje ter hand neemt. Het risico voor iemand die op de hoogte is van de mogelijke gevaren is veel kleiner dan wanneer het mesje terecht komt in een nieuwsgierige kinderhand.
Ook voor gewasbeschermingsmiddelen is dit gevaar-risico verhaal van toepassing!

 

Vraag 6 : Zijn de plantenbeschermingsmiddelen toxisch ?

"Alle stoffen zijn giftig en geen enkele stof is giftig. De juiste dosis maakt een stof tot gif of geneesmiddel" vertaald uit het Engels, Paracelsus, 16de eeuw.

Vandaag is één van de prioriteiten bij het ontwikkelen van gewasbeschermingsmiddelen hun toxicologisch en eco-toxicologisch profiel. Enkel producten die een perfecte garantie bieden voor de gezondheid van mens en omgeving, worden goedgekeurd.

Langs de andere kant blijkt dat in onze dagelijkse voeding natuurlijke bestanddelen zitten waarvan blijkt dat ze kankerverwekkend zijn*: zwarte peper bevat bijvoorbeeld safrol en piperine. Het toedienen van extracten van zwarte peper aan muizen in een dosis van 140 mg/kg gedurende 3 maanden, resulteert zo bijvoorbeeld in de ontwikkeling van tumoren in heel wat organen.

Het is belangrijk te onderlijnen dat de kwaliteit van de voeding voortdurend gestegen is tijdens de laatste 50 jaar. Er kan vandaag geen enkele bij de mens gekende ziekte verweten worden aan de producten voor plantenbescherming.

In onze ontwikkelde landen mogen we gelukkig zijn dat het grootste risico voor onze gezondheid ligt in het feit dat we te veel, te vet en te weinig gevrieerd eten.**

*Bruce N. Ames et Lois Swirsky Gold - Pollution, cancer et alimentation - La Recherche (1999) 324 - p.46-55
** American Institute for Cancer Research - Food, Nutrition and the Prevention of Cancer: a global perspective - Expert Report (1997)

 

Vraag 7 : Hoe zit het met de residu's in de voeding ?

De wettelijke normen zijn veel strenger dan noodzakelijk voor voedselveiligheid. Ze worden vastgesteld om het milieu te beschermen en om te voorkomen dat er onnodig veel gebruikt wordt van een bepaald product, bovendien houden ze rekening met de grotere gevoeligheid van kinderen, zieken, zwangere vrouwen en ouderen. Dit betekent dat overschrijdingen van de normen meestal geen risico opleveren voor de volksgezondheid.

Welke normen heeft men vastgesteld voor residu's ?
Om een dagelijks toegestane dosis (ADI = Acceptable Daily Intake) te bepalen begint men in een laboratorium met een dosis zonder effect op te stellen. Deze dosis (NOEL) is de hoogste die, wanneer ze dagelijks opgenomen wordt door het gevoeligste laboratoriumdier gedurende zijn hele leven, geen enkel observeerbaar effect teweegbrengt. Bij de mens wordt de ADI berekend door de NOEL te delen door een veiligheidscoëfficient ten minste gelijk aan 100 (10 voor de extrapolatie naar de mens en nog eens 10 om elk risico op vlak van volksgezondheid voor alle bevolkingsgroepen:baby's, kinderen, volwassenen, zwangere vrouwen, …volledig uit te sluiten). De ADI-dosis is dus de hoeveelheid residu's in mg/kg gewicht die dagelijks in alle veiligheid opgenomen kan worden door de mens*.

Voor de erkenning, moeten een MRL (maximum residu limiet) vastgelegd worden voor elke teelt. Hiervoor worden per teelt residustudies uitgevoerd na toepassing van het product via de Goede Landbouwpraktijken. De hoeveelheid residu die bij de oogst aldus teruggevonden wordt, wordt vermenigvuldigd met wat een gemiddelde persoon van het betreffende gewas dagelijks kan consumeren (vastgelegd in de Food Basket). Dit resulteert in de hoeveelheid residu's die per dag zouden kunnen opgenomen worden door de mens. Deze MRL ligt lager en in de meeste gevallen zelfs veel lager dan de Dagelijks Aanvaardbare Dosis (ADI). Het grote tot erg grote verschil tussen de mogelijke opname van een product (via de voedingsmiddelen die het zouden kunnen bevatten) en de ADI betekent een nog een grotere veiligheid voor de consument en brengt met zich mee dat een beperkte overschrijding van de MRL geenszins een gevaar voor de volksgezondheid betekent. Alvorens een GBM in verschillende teelten wordt erkend, wordt er ook nog eens nagegaan of er voor die bepaalde actieve stof, via de theoretische dagelijkse opname (Food Basket) geen overschrijding is van de aanvaarde dagelijkse opname.

Weet u dat voor het overschrijden van de aanvaardbare dagelijkse dosis (ADI) van 0.05 mg/kg lichaamsgewicht een gewasbeschermingsmiddel met een toegestane residuwaarde van 0,1 mg per kilogram appel (MRL), een volwassene van 60 kg er 30 kilogram per dag zou moeten van eten?

Ook verklaarde FAO tijdens de 22ste regionale conferentie voor Europa in juli 2000 het volgende: "Europese studies betreffende het totale voedselpakket tonen aan dat aanwezigheid van residu's zeer klein is en vaak zelfs lager dan 1 % van de aanvaardbare dagelijkse dosis (DJA) die bepaald werd aan de hand van toxicologische studies".

*EU Scientific Comittee for Food, opinion adopted 4 June 1998

 

Vraag 8 : Hoe gebeurt de residucontrole en welke programma's bestaan er ?

Bij de erkenning van een nieuw gewasbeschermingsmiddel worden de maximale residu limieten (MRL's) voor de verschillende gewassen vastgelegd. Deze MRL's zijn de maximaal te verwachten residuniveaus bij toepassing van de Goede Landbouwpraktijken in een "worst case" situatie dwz met een maximum aantal toepassingen tijdens de teelt en met de vastgestelde veiligheidstermijn voor de oogst. De voorschriften betreffende het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen worden gecontroleerd aan de hand van op regelmatige basis uitgevoerde residucontroles. Als daaruit blijkt dat de MRL overschreden wordt, mogen de gewassen niet verhandeld en niet verwerkt worden.

Elke Europese lidstaat is verplicht om op basis van Europese aanbevelingen, nauwgezet het residugehalte op te volgen van de in de lidstaat verkochte plantaardige producten. Hierbij worden door officiële, door de overheid erkende GLP gecertificeerde laboratoria residucontroles uitgevoerd op groenten en fruit bij producenten, op veilingen, bij groothandelaars en zelfs in winkels. De analyses gebeuren specifiek naar bepaalde werkzame stoffen of volgens een multi residueel programma met een zeer hoge efficiëntie.
In Belgie loopt het hele controleprogramma onder het toezicht van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. Er wordt daarbij extra gericht gezocht naar gewassen die ervan verdacht worden residu's te bevatten in hoeveelheden die de toegelaten limieten overschrijden. De bedoeling van dergelijke gerichte controles bestaat voornamelijk uit het blijvend aanzetten van land-en tuinbouwers om de wetgeving strikt na te leven, om zo continu een kwalitatief hoogstaande plantaardige productie te garanderen. De resultaten van dit onderzoek worden ieder jaar gepubliceerd op de website van de Europese Unie, http://www.europa.eu.int/

 

Vraag 9: Hoe zit het met de biologische landbouw ?

Zonder gewasbeschermingsmiddelen zouden we opnieuw in een situatie terechtkomen zoals onze voorouders die kenden in 1850. Toen werd in Ierland de complete aardappeloogst vernietigd door de aardappelplaag met als gevolg tienduizenden doden en vluchtelingen.

"In tegenstelling tot wat men algemeen aanneemt, wordt een product van biologische landbouw niet gedefinieerd door een afwezigheid van residuen van pesticiden" aldus het Franse Algemeen Bestuur voor Concurrentie, Consumptie en Frauderepressie (DGCCRF).

De reglementering onderwerpt producenten van biologische landbouwproducten immers aan een inspanningsverbintenis, en niet aan een verbintenis op het vlak van resultaten. Een belangrijke nuance die kritische consumenten grotendeels ontgaat. Want biologische landbouwers zijn niet verplicht te garanderen dat hun product geen enkel residu bevat.

Bovendien is de natuurlijke oorsprong van pesticiden die toegestaan zijn in biologische landbouw geen garantie voor hun onschuld.
Anthony Trewavas heeft in zijn artikel "Urban Myths of organic farming" (gepubliceerd op 22 maart 2001 in het tijdschrift "Nature") bevestigd dat wetenschappers bewezen hebben dat sommige in de biologische landbouw gebruikte pesticiden erg toxisch zijn, zowel voor de volksgezondheid als voor het leefmilieu. Rotenon bijvoorbeeld, een insecticide dat uit tropische planten komt en veel gebruikt wordt in biolandbouw, is giftig voor sommige dieren en vooral voor vissen. Daarnaast zijn er nog verschillende andere veelvuldig in de biolandbouw gebruikte stoffen die ernstige problemen kunnen veroorzaken, bijvoorbeeld Pyrethrum, Bt-sporen en kopersulfaat.

De FAO benadrukt eveneens in "Invloed van de biolandbouw op de onschadelijkheid en de kwaliteit van de voeding" (Porto, 24-28 juli 2000) dat "de chemische contaminaties afkomstig van de algemene milieuverontreiniging zich in gelijke hoeveelheden bevinden in voedingsmiddelen afkomstig van biologische- en klassieke landbouw. Dit is nauwelijks verrassend gezien de verontreinigende stoffen die de bodem doordringen, zoals gechloreerde koolwaterstoffen en bepaalde zware metalen, niet vermeden kunnen worden met teelttechnieken". Bovendien blijkt uit alle studies* die gevoerd zijn om verschil te achterhalen tussen biologisch en klassiek of geïntegreerd geproduceerd voedsel dat er nauwelijks een onderscheid is te maken qua smaak en voedingswaarde. Als er al een verschil is, heeft dat te maken met bodemtype, weersomstandigheden, pluktijdstip, plantenvariëteit en/of de manier van opslagen van het voedsel. Bovendien koop je onvermijdelijk producten van het seizoen als je biologisch koopt en ook dat kan een oorzaak zijn.

Algemeen wordt verondersteld dat de milieubelasting in gangbare of geïntegreerde landbouw hoger ligt. Nochtans is dit niet zo duidelijk! Verschillende studies** kwamen reeds tot het besluit dat het onmogelijk is een eenduidig antwoord te geven op de vraag of milieubelasting in één van de systemen (door onkruidbestrijding in biologisch, geïntergreerd en gangbaar systeem) hoger ligt dan in een ander.

*Michael Miersch - is organic food really better? - Welt am Sonntag - 7 november 2004

**M.M. Riemens, R.Y. van der Weide en J. Hoek - Milieubelasting door onkruidbestridjing in een biologisch, geïntegreerd en gangbaar systeem - Praktijkonderzoek Plant&Omgeving, februari 2004

 

Vraag 10 : Zijn gewasbeschermingsmiddelen schadelijk voor het milieu ?

Vandaag is één van de prioriteiten bij het ontwikkelen van gewasbeschermingsmiddelen hun toxicologisch en eco-toxicologisch profiel. Enkel producten die een perfecte garantie bieden voor de gezondheid van mens en omgeving, krijgen een erkenning.

Gewasbeschermingsmiddelen kunnen daarenboven juist een oplossing bieden voor het milieu en de biodiversiteit.
Het verdwijnen van wilde plantensoorten of dieren is immers niet het gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op zich, maar van de toegenomen menselijke activiteiten in het algemeen*: stedenbouw, wegen, industriegebieden en natuurlijk ook de steeds grotere landbouwoppervlakte nodig voor de voedselproductie… Hierdoor blijft er steeds minder plaats over voor de natuurlijke habitat van bepaalde planten- en diersoorten.
Gewasbeschermingsmiddelen laten nu net toe meer te produceren op een kleinere oppervlakte en bieden aldus een oplossing voor de groeiende nood aan voedingsmiddelen zonder dat er nog meer natuur moet verdwijnen voor laagproductieve landbouw.

*Samenvatting Signalen van MIRA-T 2003, hoofdstuk ruimtegebruik

 

Vraag 11 : Waarom een duurzame landbouw steunen ?

Duurzame landbouw wordt als volgt gedefinieerd :

Een geïntegreerd systeem van de productie van dierlijke en plantaardige producten dat op lange termijn :

  • voldoet aan de menselijke voedingsbehoeften
  • de kwaliteit verbetert van het milieu en de natuurlijke hulpbronnen waarop de landbouw gebaseerd is
  • op de meest efficiënte manier de niet-hernieuwbare natuurlijke grondstoffen gebruikt
  • de economische leefbaarheid van de landbouwactiviteiten veilig stelt
  • de levenskwaliteit van de landbouwers en van de totale maatschappij verbetert

De fytofarmaceutische industrie ondersteunt, door de producten die ze op de markt brengt, een duurzame landbouw. Immers, morgen zijn er ongeveer 200.000 mondjes meer te voeden in deze wereld (dagelijkse groei van de wereldbevolking).
Dus is het belangrijk dat we meer kunnen produceren op een kleiner wordende oppervlakte.
In 1900 stond 1 ha in voor de voeding van 1 persoon.
In 2050 zal 1 ha 7 personen moeten voeden.

 

Vraag 12 : Welke zijn de regels die dienen in acht genomen te worden bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ?

Gewasbeschermingsmiddelen dragen bij tot een duurzame landbouw. Bij een juist gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zijn ze immers perfect veilig voor mens, dier, plant en milieu.
Elk misbruik van een gewasbeschermingsmiddel echter geeft het vertrouwen van de consument een deuk en kan het milieu onnodig belasten. Redenen genoeg dus om elk middel correct te gebruiken, via het naleven van de Goede Landbouwpraktijken.

Goede Landbouwpraktijken ?

VOOR DE BEHANDELING

  • lees eerst en vooral aandachtig het etiket;
  • kies het product in functie van het doel dat u wil bereiken;
  • bewaar de producten in een droge afgesloten ruimte, buiten bereik van kinderen en verwijderd van voedingsmiddelen;
  • controleer de goede werking en afstelling van de spuitmachine;
  • test de toepssingsdosis in functie van de snelheid waarmee het toestel voortbeweegt en in functie van het debiet van de spuitdoppen.

TIJDENS HET KLAARMAKEN

  • niet eten of drinken bij het bereiden van de spuitvloeistof;
  • draag geschikte beschermende kledij en neem een maximum aan voorzorgen bij het mengen van het product;
  • pas het volume van het mengsel aan de te behandelen oppervlakte aan zodat u geen overschot hebt;
  • volg zorgvuldig het vullen van de sproeier om overlopen te voorkomen;
  • indien de verpakking leeg is, spoel ze 3 keer met zuiver water en schud ze krachtig, giet het spoelwater in de spuittank. Ook de afsluitdoppen worden gespoeld;
  • het deksel van de sproeier goed sluiten.

TIJDENS HET GEBRUIK

  • overspuit geen grachtkanten of bermen en respecteer de bufferzones;
  • vermijd dubbele behandelingen en behandel enkel het te beschermen gewas;
  • vermijd afspoeling en behandel dus niet bij veel wind of regen;
  • behandel bij voorkeur 's morgends of 's avonds (windstil);
  • zet recht aan bij perceelsranden.

NA DE BEHANDELING

Spuitoverschotten

  • verdun ze en spuit over het al behandelde gewas;
  • spoel het toestel en bescherm het na gebruik tegen regen.

Bewaren van de verpakkingen

  • plaats de geopende verpakkingen in een daartoe voorziene opslagruimte;
  • bewaar de lege verpakkingen, goed gespoeld, open, in de speciale Phytofar-Recoverzakken, stockeer ze op een droge plaats. Zegels en afsluitdoppen horen ook thuis in dezelfde zakken.

VOORZORGEN

  • handen, gelaat en alle lichaamsdelen die met het product of de spuitvloeistof konden in aanraking komen, zorgvuldig wassen met water en zeep.

 

Vraag 13 : Waarvoor staat "Integrated Crop Management" of ICM ?

Integrated Crop Management betekent dat bij de productie gebruik gemaakt wordt van zowel traditionele als moderne productietechnieken. De bedoeling is te werken met een maximaal respect voor de gebruiker, de menselijke gezondheid en het milieu en dit met het behoud van een goede rentabiliteit. ICM houdt bijvoorbeeld in: een optimale teelrotatie om de ziektedruk te verminderen, het gebruik van weinig ziektegevoelige variëteiten, een betere diagnose van de ziekten, het vaststellen van schadedrempels, het behandelen volgens advies van waarschuwingscentra,…
IPM of Integrated Pest Management is een onderdeel van ICM en slaat voornamelijk op het gedeelte plantenbescherming. Bij IPM wordt er zowel gebruik gemaakt van biologische als chemische bestrijdingsmethodes. Er wordt steeds gekozen voor producten met een zeer specifieke werking d.w.z. enkel tegen de ziekte of plaag die een probleem vormt.
Voor de bestrijding van insecten gebruikt men waar mogelijke natuurlijke vijanden.

Enkele concrete voorbeelden : In België is de geïntegreerde teelt wettelijk geregeld voor pitfruit. Ook bij groenten onder glas en in de sierteelt wordt het succesvol toegepast. Daarnaast wordt er in verschillende teelten gebruik gemaakt van waarschuwingssystemen die ervoor zorgen dat enkel behandeld wordt indien het noodzakelijk is: vb ter voorkoming van aardappelplaag.

 

Vraag 14 : Hoe zit het met de vermindering van de hoeveelheid actieve stof per hectare ?

Een nieuw product op de markt brengen vraagt een investering van 150 tot 200 miljoen euro en neemt 8 tot 10 jaar in beslag. Het overgrote deel van dit bedrag gaat naar onderzoek en ontwikkeling. De gewasbeschermingsmiddelenindustrie spendeert immers enorm veel aandacht aan de ontwikkeling van steeds veiligere en milieuvriendelijkere producten.

Dankzij dit ver doorgedreven onderzoek voor de indsutrie zijn er nieuwe producten ontwikkeld die werkzaam zijn aan veel lagere dosissen en bovendien minder giftig of gevaarlijk zijn voor het milieu.

Een concreet voorbeeld is de behandeling van suikerbieten met insecticiden : een zaadbehandeling met een kleine hoeveelheid actieve stof waarvan de hoge doeltreffendheid toelaat om het gebruik van blad-insecticiden te vermijden, heeft zo een vermindering van meer dan 90 % teweeggebracht in het gebruik van producten voor plantenbescherming per hectare.

Ook in graangewassen is de dosis actieve stof in kg/ha van 4,7 naar 2,64 (2003) gedaald. Een reductie van 44%.

 

Vraag 15 : Hebben producten voor plantenbescherming een impact op de kwaliteit van onze voeding ?

Dankzij het weloverwogen gebruik van fytosanitaire producten, beschikt de consument over voldoende, gezonde en betaalbare voedingsmiddelen :

VOLDOENDE: dankzij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen gaat er minder voedsel verloren ten gevolge van schade door insecten, schimmels, …

GEZOND: sommige schimmels zijn echt schadelijk omdat zij kankerverwekkende stoffen kunnen synthetiseren, de zogenaamde mycotoxines. De schimmel Penicillium bijvoorbeeld kan de productie van Patuline in appels en afgeleide producten bevorderen. Gewasbeschermingsmiddelen kunnen ervoor zorgen dat deze stoffen niet aangemaakt worden;

BETAALBAAR: Dankzij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan er bespaard worden op handenarbeid en is er een hogere productie per oppervlakte mogelijk zodat de prijs van groeten en fruit betaalbaar wordt voor een grotere groep mensen.

 

Vraag 16 : Gewasbeschermingsmiddelen en water ?

Bij het gebruik van producten voor de plantenbescherming, kunnen kleine hoeveelheden in het oppervlaktewater terechtkomen en in sommige omstandigheden in het grondwater dat aan de basis ligt voor de drinkwaterwinning. Het onderzoek en de ontwikkeling van de agrochemie hebben als doel producten op punt te stellen of technieken te ontwikkelen die het risico op residu's in het drinkwater beperken. De bescherming van het water is een Europese prioriteit.
De Europese wetgeving is op dit vlak zeer streng en beperkt hun aanwezigheid dan ook tot 0.1 µg/l voor een geïsoleerde substantie in drink- of grondwater (richtlijn 80/788/CEE). Deze Europese limiet is niet verbonden met risico's voor de gezondheid maar werd wel opgesteld op basis van de minimale concentratie die gedetecteerd kan worden volgens het principe dat de gewasbeschermingsmiddelen niet in het water teruggevonden mogen worden. Wist u trouwens dat deze limiet overeenkomt met 4mm t.o.v. de totale omtrek van de aarde of met 1 gram op 1 miljoen liter water?

Sinds 1996 loopt er een overeenkomst tussen Belgaqua-Phytofar met als objectief een efficiënte bescherming te garanderen van onze watervoorraden voor drinkwater. Dit alles met respect voor het economisch evenwicht en de technologische eisen die toestaan dat de landbouw en de productie van voedingsmiddelen concurrentieel kan gebeuren in België. Meer details kan u vinden in de rubriek Phytofar-Belgaqua op deze website.

 

Vraag 17 : Waarom worden zaadbehandelingen uitgevoerd ?

Verschillende schimmels en insecten kunnen kiemende zaden aantasten waardoor de teelt mislukt. Om de zaden te beschermen tegen deze plagen wordt een zaaizaadbehandeling uitgevoerd. Indien er geen zaaizaadbehandelingsmiddelen gebruikt worden, kan in bepaalde gevallen de productie met meer dan 50 % terugvallen.

  • Zaaizaadbehandelingsmiddelen hebben het voordeel dat er slechts zeer lage hoeveelheden ai/ha nodig zijn en dat er zeer gericht kan gewerkt worden: met een zaadbehandeling wordt in tegenstelling tot bij de conventionele behandelingen, minder dan 1% van het perceel behandeld. De zaadbehandeling beperkt aldus de blootstelling van nuttige organismen en van waterorganismen tot een minimum;
  • Ze garanderen een maximale veiligheid voor de landbouwer/gebruiker aangezien hij niet direct wordt blootgesteld aan het product. Tevens vervangt de zaadbehandeling een aantal bespuitingen die normaal later op het gewas worden toegepast zodat ook het contact van de landbouwer met gewasbeschermingsproducten verder beperkt wordt;
  • De behandeling van het zaad wordt met precieze industriële technieken uitgevoerd door gespecialiseerde bedrijven in gecontroleerde omstandigheden zodat het risico op overdosering wordt uitgesloten.

 

Vraag 18 : Beïnvloeden GBM de hormoonhuishouding ?

Het debat in verband met hormoonverstoring komt neer op de mate van blootstelling aan lage hoeveelheden van 'op hormoon-gelijkende' chemische of natuurlijke producten in voeding en milieu. Deze producten zouden kunnen interfereren met het hormonale systeem en leiden tot schadelijke effecten op mens en natuur.

De mens wordt niet alleen blootgesteld aan zeer lage niveaus van synthetische hormonen, maar ook en in veel grotere mate aan natuurlijke hormonen: inderdaad, in onze dagelijkse voeding zitten verschillende natuurlijke stoffen (bv. cafeïne) met een hormoonverstorend effect dat vele duizenden keren sterker is dan dat dat eventueel veroorzaakt zou kunnen worden door synthetische stoffen zoals residu's van gewasbeschermingsmiddelen*. Hierdoor kan vanuit toxicologisch oogpunt gesteld worden dat er eerder verwacht kan worden dat vers voedsel een veel grotere bedreiging betekent voor een eventuele verstoring van de hormoonhuishouding dan synthetische chemische stoffen. Via onze voeding worden we immers in veel grotere mate blootgesteld aan natuurlijke hormoonanalogen (mimics) die ook een veel groter hormoonverstorend vermogen hebben dan de eventuele residu's van gewasbeschermingsmiddelen die uitgebreide testen ondergaan en waar de mens in slechts heel beperkte mate wordt blootgesteld.

Vooraleeer gewasbeschermingsmiddelen erkend worden, ondergaan ze uitgebreide toxicologische onderzoeken die toelaten om mogelijke hormoonverstorende effecten te detecteren. Richtlijn 91/414 eist dat er hiervoor in elk dossier voor aanvraag van een erkenning studies aanwezig zijn die lopen over twee generaties. Deze studies zijn het beste middel om eventuele hormonale effecten te ontdekken. Bij het al dan niet erkennen van een gewasbeschermingsmiddel en bij het toekennen van een ADI-waarde (aanvaardbare dagelijkse dosis), wordt er vanzelfsprekend rekening gehouden met de bekomen resultaten. De Europese gewasbeschermingsindustrie is een sterk voorstander van een benadering gebaseerd op wetenschap en risico in om het even welke beslissing op vlak van toelating voor wat betreft de hormoonverstorende stoffen.

De Europese gewasbeschermingsindustrie staat volledig achter de verdere ontwikkeling en het bevorderen van producten en praktijken die geen schade berokkenen aan mens en natuur. Omdat er nog steeds een aantal vragen blijven bestaan omtrent deze problematiek, werkt de Europese gewasbeschermingsindustrie samen met een reeks internationale partners om vooruitgang in het onderzoek naar hormoonverstoring te verzekeren.

*Bruce N. Ames et Lois Swirsky Gold - Pollution, cancer et alimentation - La recherche (1999) 324 - p.46-55

 

Vraag 19 : Verhogen GBM de kans op kanker ?

Gewasbeschermingsmiddelen krijgen een erkenning en zijn dus pas toegelaten als via diverse studies werd aangetoond dat ze bij een correcte toepassing perfect veilig zijn naar mens, dier en milieu toe. Elke erkenning van een gewasbeschermingsmiddel is gebaseerd op risico-evaluaties waarbij extra strenge veiligheidsfactoren worden ingebouwd voor extrapolatie naar de zwakste bevolkingsgroepen.

Een daling van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is absoluut geen goed middel om kankers en andere 'voedingsgebonden' ziekten te voorkomen. Sterker nog, gewasbeschermingsmiddelen spelen een belangrijke rol in het voorkomen ervan. Wij citeren (vertaald uit het Frans): 'Geen enkele epidemiologische of toxicologische studie toont een kankerverwekkend effect aan van de verschillende binnen de erkende en wettelijke normen aanwezige stoffen in onze voeding. Deze normen worden bepaald door het erkenningscomité en daarbij wordt rekening gehouden met Europese en internationale richtlijnen. De veiligheid van ons voedsel in vraag stellen, leidt de aandacht af van de echte problemen: overgewicht, te zoete en/of te vetrijke voeding, onvoldoende fruit- en groenteverbruik*'.
Zonder gewasbeschermingsmiddelen zouden de prijzen van groenten en fruit de lucht ingejaagd worden met een verminderde consumptie tot gevolg. En dat is net de oorzaak van de meeste 'voedselgebonden' ziektes zoals hart- en vaataandoeningen, cataract, en kanker om er maar enkele te noemen**.

Bovendien dient opgemerkt te worden dat de blootstelling van de mens aan mogelijke kankerverwekkende stoffen niet enkel de synthetische chemische stoffen betreft maar ook de chemische stoffen van natuurlijke oorsprong. Deze vertegenwoordigen 99,9% van de totale hoeveelheid aan chemische stoffen die we opnemen via onze voeding***. Het zijn stoffen die door de planten zelf geproduceerd worden om zich te beschermen tegen aanvallen van buitenaf (insecten, schimmels..). Elke plant produceert zo zijn eigen gamma aan 'chemische wapens'.

Vele studies tonen aan dat er geen direct aantoonbaar verband is tussen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en bijvoorbeeld kankers**. Omdat het een erg complex gegeven is waarbij ook andere factoren zoals genetische factoren en levensstijl (foute eetgewoontes, roken…) een rol spelen, blijft verder onderzoek belangrijk.

* G. Van Maele-Fabry and J.L Willems - Occupational related pesticide exposure and cancer of the prostate : a meta-analysis
**
Lettre ouverte du professeur Maurice Tubiana, Membre de l'Académie des Sciences et de l'Académie de Médecine et du docteur Cathérine Hill, chef du service Epidémiologie de l'Institut Gustave Roussy. France mai, 2004
*** Bruce N. Ames et Lois Swirsky Gold - Pollution, cancer et alimentation - La recherche (1999) 324 - p.46-55

 

Vraag 20 : Zijn er potentiële effecten van mutiresiduen (cocktaileffecten) bij het gebruik van meerdere GBM?

Het kan zijn dat er residu's van verschillende gewasbeschermingsmiddelen teruggevonden worden omdat het soms nodig is om verschillende middelen te gebruiken wanneer een gewas bijvoorbeeld door verschillende ziekten of plagen wordt aangevallen. Het gebruik van verschillende gewasbeschermingsmiddelen voorkomt bovendien de ontwikkeling van resistentie en verhoogt de efficiënte bestrijding van het complex van ziekten en plagen. Het gebruik van verschillende gewasbeschermingsmiddelen kan eveneens het residu niveau van ieder product in het voedsel doen verminderen.

Consumenten worden continu blootgesteld aan enkele honderden chemische stoffen van uiteenlopende herkomst: voedsel, drank, drinkwater, cosmetica, geneesmiddelen,…. De dosis maakt de giftigheid uit. Dit geldt ook voor mengsels van chemische stoffen. Het risico dat aan residu's kan verbonden zijn, of het nu over één residu of meerdere residu's gaat, hangt af van de hoeveelheid die wordt teruggevonden, de hoeveelheid van het voedsel dat we opnemen en de Dagelijks Aanvaardbare Dosis (ADI) van elke stof. Het niveau van residuen, zelfs multiple residuen, ligt bijzonder laag, dankzij strenge veiligheidsmarges, ver beneden de dagelijkse aanvaardbare dosis en de dosis die geen effect geeft (NOAEL - No-observed-Adverse Effect-Level).

Er werden nooit schadelijke effecten aangetoond als verschillende chemische stoffen tegelijkertijd aanwezig waren bij No-Observed-Adverse-Effect-Levels (NOAEL, zie vraag 7). Consumenten worden bovendien slechts blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen bij sporenconcentraties die veel lager zijn dan de dosis waarbij er geen schadelijk effect wordt waargenomen (NOAEL). Veel wetenschappers hebben de mogelijke effecten van multiresiduen bestudeerd en hebben nooit additieve of versterkende effecten waargenomen. Zo hebben verschillende onafhankelijke experten van het Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen in de UK, diverse onderzoeken gevoerd betreffende de multiresidu-problematiek en zijn telkens tot dezelfde conclusie gekomen, meer bepaald dat er geen reden is om aan te nemen dat de aanwezigheid van verschillende residu's de gezondheid in gevaar zou brengen*.

Omdat er nog steeds een aantal vragen blijven bestaan, bestudeert het Europese Voedselagentschap, EFSA, alle mogelijke methodes om cummulatieve effecten beter en vollediger te kunnen evalueren. De Europese gewasbeschermingsindustrie ijvert voortdurend voor producten en praktijken die geen schade berokkenen aan mens en natuur en staat dus volledig achter deze verdere ontwikkeling en verleent haar medewerking.

* Risk Assessment of mixtures of pesticides and similar substances - Committee on Toxicity of Chemicals in Food, Consumer products and the Environment - September 2002 - http://www.food.gov.uk/multimedia/pdfs/report(indexed).pdf

Vraag 21 : Zijn GBM betrokken bij 'REACH' ?

In oktober 2003, heeft de Europese commissie een voorstel voor nieuwe EU-regels voor chemicaliën gepresenteerd. In het voorgestelde systeem, dat REACH wordt genoemd (registratie, evaluatie en autorisatie van chemicaliën), moeten bedrijven die per jaar een ton of meer van een chemische stof vervaardigen of invoeren, die stof in een centrale databank registreren. De geregistreerde informatie zal betrekking hebben op de eigenschappen van de stof, het gebruik ervan en de maatregelen die in acht genomen moeten worden voor een veilig gebruik van de stof. De stoffen die waarover onduidelijkheid of onzekerheid bestaat en de stoffen die een onverantwoord risico stellen, zullen daarbij verboden worden.

Actieve stoffen die geproduceerd of ingevoerd worden voor gebruik in gewasbeschermingsmiddelen die vallen onder de Europese Richtlijn 91/414 of voor gebruik in biociden die moeten beantwoorden aan de eisen van Richtlijn 98/8 moeten niet meer bijkomend geregistreerd worden. De bestaande richtlijnen leggen immers al de hoogste eisen op naar aanwezigheid van belangrijke informatie inzake toxiciteit, ecotoxiciteit en biologische werkzaamheid.

Zullen wel geregistreerd moeten worden:

  1. Actieve stoffen die elders gebruikt worden dan in gewasbeschermingsmiddelen of biociden
  2. De zogenaamde 'essential use' actieve stoffen
  3. Bepaalde hulpstoffen die gebruikt worden in gewasbeschermingsmiddelen en biociden
  4. Intermediaire producten waarvan de jaarlijks gebruikte hoeveelheden groter zijn dan 1 ton.

 

Vraag 22 : Wat met pesticiden in ons bloed ?

Alle levende organismen komen in hun omgeving in contact met honderden natuurlijke en synthetische chemische stoffen van uiteenlopende herkomst: voedsel, drank, drinkwater, cosmetica, geneesmiddel,…. Vaak worden die opgenomen met de voeding, via de ademhaling of drinken of door direct contact. Deze stoffen worden ontbonden of omgezet in nevenproducten en doorgaans uitgescheiden via de bekende fysiologische mechanismen. Het spreekt dus vanzelf dat de aanwezigheid van een chemische stof, natuurlijk of synthetisch, op zich geen risico hoeft in te houden voor de gezondheid en zeker niet als alarmerend moet bestempeld worden.

Dankzij de snelle vooruitgang van de analytische chemie kunnen wij vandaag in menselijk weefsel en lichaamsvloeistoffen onvoorstelbaar kleine hoeveelheden van een reeks stoffen meten. Biomonitoring op zich geeft maar een momentopname van de stoffen die in het lichaam aanwezig zijn op het moment van de staalname. Het geeft geen enkele informatie over de bron van de stoffen, noch over haar evolutie, noch over de relevantie van de betrokken stoffen voor de gezondheid.

Vandaag is één van de prioriteiten bij het ontwikkelen van gewasbeschermingsmiddelen immers hun toxicologisch en eco-toxicologisch profiel. Zo wordt de toxicologische impact van de aanwezigheid van een GBM in het bloed uitvoerig bestudeerd in het kader van het erkenningsdossier. Per teelt en per GBM wordt er bovendien een residulimiet vastgelegd op basis van de Goede Landbouwpraktijken en op basis van het gemiddelde dieet van de consument. Deze limiet mag zeker nooit hoger zijn dan en ligt bijna altijd veel lager dan de dagelijks aanvaardbare dosis die bepaald wordt aan de hand van toxicologische laboproeven.

Enkel producten die een perfecte garantie bieden voor de gezondheid van mens en omgeving, krijgen een erkenning.

 

Vraag 23 : Vormen GBM een groter risico voor zuigelingen en kinderen ?

Enkel producten die voldoen aan een hele reeks toxicologische testen die gelijkwaardig zijn aan deze voor farmaceutische producten, krijgen een erkenning.

Bij kinderen en meer specifiek bij zuigelingen, is het dieet minder gevarieerd dan bij volwassenen en is de voedselopname in verhouding tot het lichaamsgewicht veel groter. Zij worden relatief gezien dan ook blootgesteld aan een grotere hoeveelheid residu's van een bepaald product. Vandaar dat er bij de evaluaties van de risico's die inherent zijn aan een erkenningsaanvraag, steeds grote veiligheidsfactoren worden toegepast om elk risico uit te sluiten voor de meest gevoelige groepen van de bevolking (zuigelingen, kinderen, zieken, zwangere vrouwen, ouderen).

 

Vraag 24 : Moeten fruit en groenten worden gewassen ?

Tijdens het transport van groenten en fruit en ook in de winkel is het steeds mogelijk dat er stof op fruit en groenten terecht komt. Bovendien hebben mogelijk al verschillende mensenhanden het fruit en de groenten aangeraakt. Het is dan ook erg aanbevolen om fruit en groenten voor de bereiding of voor het eten te wassen. De strenge wettelijke normen die bestaan voor residu's van gewasbeschermingsmidddelen worden bepaald voor ongewassen fruit en groenten.

 

Vraag 25 : Wat is het KB voor autocontrole, traceerbaarheid en meldingsplicht ?

Op 12 december 2003 verscheen in het Staatsblad het langverwachte KB rond de autocontrole, de meldingsplicht en de traceerbaarheid. Dit KB is van toepassing doorheen de hele voedselketen en legt aan alle actoren die onder de bevoegdheid van het FAVV vallen dezelfde vereisten op. De fytofarmaceutische sector is één van deze actoren en stelde al voor de tot stand koming van dit KB alles in het werk om de voedselveiligheid in al zijn facetten te garanderen. Ook is de fytofarmaceutische sector een van de eerste sectoren die een sectorale gids voor de autocontrole heeft opgesteld.

Wat staat er nu in het KB?

  1. Autocontrole:

    A. Iedereen, uitgezonderd de primaire productie, moet een autocontrolesysteem instellen, toepassen en uitvoeren. Dit systeem moet de veiligheid van de producten omvatten en moet gebaseerd zijn op 8 principes van het HACCP systeem:

    1. Identificeren van elk gevaar dat moet worden voorkomen, geëlimineerd of tot een aanvaardbaar niveau gereduceerd;
    2. Identificeren van de CCPs (kritische controle punten);
    3. Vaststellen van de kritische grenswaarden voor de CCPs om te kunnen bepalen wat al dan niet aanvaardbaar is op het vlak van preventie, eliminatie of reductie van een onderkend gevaar. · Vaststellen en toepassen van efficiënte bewakingsprocedures voor de CCPs · Vaststellen van corrigerende maatregelen;
    4. Vaststellen van verificatieprocedures;
    5. Opstellen van documenten en registers, aangepast aan de aard en omvang van het bedrijf, om aan te tonen dat de punten 1 tot en met 6 daadwerkelijk worden toegepast;
    6. Indien nodig, opstellen van bemonsterings- en analyseplannen die toelaten zich te verzekeren van de geldigheid van het autocontrolesysteem.

     

    B. Verder kan een exploitant ook dergelijk systeem invoeren voor de kwaliteit van zijn producten, dit is echter niet verplicht.

  2. Traceerbaarheid:

    A. Men moet beschikken over systemen of procedures waarmee de ontvangen producten worden geregistreerd: aard, identificatie, hoeveelheid, datum ontvangst, identificatie leverancier en alle andere zaken door de minister opgelegd;

    B. Men moet beschikken over systemen of procedures waarmee de afgevoerde producten worden geregistreerd: aard, identificatie, hoeveelheid, leveringsdatum, identificatie afnemer en alle andere zaken door de minister opgelegd;

    C. Men moet beschikken over systemen of procedures waarmee het verband tussen de aangevoerde en afgevoerde producten kan worden gelegd en waarmee ze in alle stadia van productie, verwerking en distributie traceerbaar zijn.

  3. Meldingsplicht:

    A. Elke exploitant, laboratorium, inspectie- of certificatieorganisme moet het FAVV onverwijld in kennis brengen als ze van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een ingevoerd, geproduceerd, gekweekt, geteeld, verwerkt, vervaardigd of gedistribueerd product schadelijk kan zijn voor de gezondheid van mens, dier of plant;

    B. Verder moeten onmiddellijk de procedures opgestart worden om het product terug te roepen. Indien het product de consument al kan bereikt hebben, moet ook deze op de hoogte gebracht worden, desnoods met een persbericht, en indien nodig moeten ook deze producten worden teruggeroepen. Het FAVV moet van dit alles op de hoogte worden gebracht.

 

Vraag 26 : Hebben GBM een nadelige invloed op bijen en andere nuttige insecten ?

Bijen behoren tot de groep van nuttige organismen. Ze spelen een belangrijke rol bij zowel de bestuiving van bepaalde gewassen als bij de honingproductie. Daarom worden er voor de toekenning van een erkenning voor een gewasbeschermingsmiddel, steeds studies geëist over de eventuele schadelijke effecten op nuttige organismen (waaronder bijen).
De toxiciteit (oraal of contact) van gewasbeschermingsmiddelen voor bijen wordt bestudeerd aan de hand van specifieke labotesten.
In bepaalde gevallen worden er voor een bepaald product veldproeven uitgevoerd volgens de goede landbouwpraktijken. Deze proeven worden uitgevoerd op drie percelen met uitermate pollenrijke gewassen. Deze drie percelen dienen voldoende ver van elkaar verwijderd te zijn zodat de bijen niet van het ene perceel naar het andere kunnen gaan. Eén perceel wordt behandeld met het te testen middel, één perceel wordt niet behandeld en één perceel krijgt een behandeling met een product met gekende toxiciteit. Door vergelijking van de resultaten van de drie percelen kan het mogelijke risico van het nieuwe middel ten opzichte van bijen worden geëvalueerd.

Wanneer het nieuwe product toxisch voor bijen blijkt te zijn, en dus een gevaar vormt voor insecten, dient volgende informatie op het etiket toegevoegd te worden: 'Gevaarlijk voor bijen. Om de bijen en andere bestuivende insecten te beschermen mag u dit product niet gebruiken op in bloei staande gewassen. Gebruik dit product niet op plaatsen waar bijen actief naar voedsel zoeken'.

Voor producten die niet schadelijk zijn voor bijen of voor dewelke geen enkel gevaar kon worden aangetoond bij toepassing volgens de goede landbouwpraktijken, dienen geen specificaties te worden toegevoegd op het etiket.

Elk product dat wordt toegepast zoals aangegeven op het etiket en zoals vermeld op de erkenningsakte vormt geen enkel risico voor bijen, noch voor andere nuttige organismen.

 

Vraag 27 : Wat is de visie van Phytofar betreffende het voorzorgs- en het substitutieprincipe ?

Het voorzorgsprincipe bepaalt dat een product niet gebruikt mag worden en dus niet op de markt gebracht mag worden wanneer er geen wetenschappelijke gegevens voor handen zijn en zolang er geen duidelijke antwoorden zijn op alle vragen die over het product zijn gesteld.

Phytofar is de mening toegedaan dat het voorzorgsprincipe voor gewasbeschermingsmiddelen niet kan toegepast worden daar er voor elk middel slechts een erkenning gegeven wordt wanneer het middel voldoet aan alle toxicologische en ecotoxicologische eisen die worden opgelegd door de nationale en Europese wetgevingen. Producterkenningen zijn gebaseerd op risico-evaluaties waarbij eveneens rekening gehouden wordt met de effectiviteit van producten en met resistentiemanagement: Wanneer één of meerdere producten in land- en tuinbouw verboden zouden worden volgens het voorzorgs- of volgens het substitutiebeginsel, kan dat leiden tot een gebrek aan efficiënte oplossingen voor bepaalde problemen. Bovendien zullen dan steeds dezelfde overblijvende middelen worden ingezet, wat dan weer een probleem van resistentie zal veroorzaken.

Beide beginsels zijn niet van toepassing daar enkel producten erkend en dus verkocht en gebruikt worden als bewezen is dat ze bij correct gebruik geen enkel risico vormen voor mens, dier of milieu.