Vraagbaak
Met een eenvoudige klik op onderstaande vragen komt u bij het antwoord
terecht. Heeft u vragen die hier niet aan bod komen, aarzel dan niet om
ons te contacteren via phytofar@fedichem.be
Specifieke informatie nodig? Klik hier
In onze Westerse landen is er voldoende voedsel van goede kwaliteit aanwezig.
Dit is echter niet overal zo. De wereldbank stelt dat de productie van
voeding zou moeten verdubbelen in de volgende jaren om te beantwoorden
aan de vooropgestelde cijfers van de bevolkingsgroei. Tegen 2050 schat
men de wereldbevolking op 8 à 10 miljard mensen. Om al die monden
te voeden is een verdubbeling van de voedselproductie nodig. Dit is een
hele uitdaging voor de landbouw.
Graan is de basisvoeding voor ongeveer 35% van de bevolking. Op wereldschaal
heeft de huidige graanvoorraad een voorsprong van 59 dagen. In het kader
van de huidige wereldconsumptie, schat de wereldbank dat er gemiddeld
een stock moet zijn van 90 dagen om gewapend te zijn tegen alle natuurverschijnselen.
Dit theoretisch gemiddelde is anderhalve keer groter dan de huidige graanvoorraad.
Er bestaan twee mogelijkheden om de productie te doen toenemen: de
oppervlakte vergroten en/of de productie verbeteren. Daar de beschikbare
oppervlakte voor landbouw alsmaar meer zeldzaam wordt en daar ontbossing
dramatische ecologische gevolgen met zich meebrengt (erosie, vernietiging
van de ozonlaag,…), blijft er maar één oplossing over: de productie per
hectare verhogen.
De belangrijkste toepassing van producten voor plantenbescherming is
in de landbouw. De landbouwgewassen dienen beschermd te worden tegen
diverse belagers: onkruiden, ziekten, insecten,…. Een studie*
toonde aan dat bij een reductie van 75% van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen,
30 tot 50% van de landbouwproductie verloren zou gaan. Dankzij het gebruik
van doeltreffende gewasbescherming is er dus minder grond nodig voor eenzelfde
voedselproductie en blijft er bijgevolg meer grond voor natuur en recreatie.
Er zijn er nog een pak andere redenen:
Gezondheid: de producten voor plantenbescherming redden
tientallen miljoenen levens door ziektes te beheersen zoals malaria, slaapziekte,
enz. Via gewasbescherming kunnen ook schimmels bestreden worden die toxische
stoffen (mycotoxines) produceren evenals giftige onkruiden (vb. zwarte
nachtschade) die anders in de voedselketen zouden terecht komen.
Sociaal -Economisch: een doeltreffende gewasbescherming
laat toe voedsel te produceren aan relatief lage kostprijs omdat ze een
hogere opbrengst per hectare toelaten en er minder arbeid nodig is. Hierdoor
is voldoende vers voedsel van hoge kwaliteit vrijwel voor iedereen betaalbaar
geworden.
*Crop Protection: Costs and Benefits to
Society and the Economy; Professor Michael Schmitz, Agribusiness Institute,
University of Gießen, Germany; November 2001
Vraag 3 : Wat zijn de eisen
van een erkenningsdossier ?
Het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen wordt geregeld
door de Europese richtlijn 91/414.
De actieve stof moet worden onderzocht en erkend op Europees niveau.
De toelating voor het gebruik in een bepaalde lidstaat van het handelsproduct
met een Europees erkende actieve stof behoort daarentegen tot de bevoegdheid
van de nationale overheden (Koninklijk Besluit 28/02/1994).
De eisen voor de toelating zijn talrijk met onder meer:
- een toxicologisch dossier dat de meest uiteenlopende effecten op
de mens controleert:
- acute toxiciteit (korte termijn);
- subchronische en chronische toxiciteit (lange termijn);
- andere studies omtrent toxiciteit;
- een eco-toxicologisch dossier : preciseert het gedrag en de evolutie
in de verschillende natuurlijke omgevingen (water-grond-lucht);
- een biologisch dossier dat het bewijs levert van de werkzaamheid,
de efficiëntie en selectiviteit ten overstaan van de desbetreffende
teelt.
Deze dossiers worden opgesteld op basis van studies uitgevoerd volgens
strict voorgeschreven standaard procedures door onafhankelijke onderzoeksinstellingen
of door de industrie zelf. Om deze onderzoeken te mogen uitvoeren moeten
de labo's door officiële, onafhankelijke instanties goegekeurd en gecontroleerd
worden (GLP - GEP).
Voor de nationale goedkeuring wordt een erkeningscomité opgesteld
dat samengesteld is uit deskundigen van verschillende ministeries die
elk op hun terrein over het dossier oordelen. Dat zijn:
- Het vroegere Ministerie van Landbouw over de biologische en ecotoxicologische
resultaten;
- De Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Leefimileu en Veiligheid
van de voedselketen over de toxicologische resultaten;
- De Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal overleg
over de resultaten met betrekking tot de veiligheid voor het personeel
tijdens de productie en het gebruik van het product.
Door de regionalisering van het vroegere Ministerie van Landbouw is men
bezig met de herwerking van de samenstelling van het erkenningscomité.
Voorstel:
- Het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en
de Hoge Gezondheidsraad over de toxicologische resultaten;
- De Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Leefimileu en Veiligheid
van de voedselketen over de biologische en ecotoxicologische resultaten;
- De Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal overleg
over de resultaten met betrekking tot de veiligheid voor het personeel
tijdens de productie en het gebruik van het product.
Het comité doet eveneens een beroep subcomités, bestaande uit onafhankelijke
experten, die deelaspecten van het dossier, zoals ecotoxicologie, toxicologie,
gedrag in het milieu en biologie evalueren en hierover advies geven aan
het erkenningscomité. Deze onafhankelijke experts zijn werkzaam in universiteiten,
instituten, opzoekingsstations, …
Indien het product, na grondig onderzoek, voldoet volgens al deze
commissies, krijgt het een goedkeuringsakte.
De kostprijs om een nieuw product op de markt te brengen, loopt momenteel
op tot 150 à 200 miljoen euro en neemt 8 tot 10 jaar in beslag.
Vraag 4 : Hoe zit het met
de oudere actieve stoffen ?
De Europese richtlijn 91/414 heeft de gestelde eisen in het kader van
een goedkeuring heel wat doen evolueren. De Europese eisen zijn zeer streng
en er is geen enkele reden om die eisen niet toe te passen op de actieve
stoffen die reeds gebruikt worden. Daarom is het voorzien in de richtlijn
dat alle oude actieve stoffen onderzocht moeten worden in het Europese
herzieningsprogramma.
De herziening gebeurt in verschillende stappen. Eind 2003 werden op basis
hiervan van de 830 bestaande actieve stoffen reeds 430 stoffen teruggetrokken
omdat ze ofwel niet voldoen aan het strenge en zeer uitgebreide eisenpakket
ofwel omdat de nodige studies niet werden ingeleverd door de industrie.
Dagelijks wordt ieder van ons geconfronteerd met een hele hoop van mogelijke
gevaren. Het risico dat we daarbij lopen, wordt bepaald door de wijze
waarop we met die gevaren omspringen. Het is enkel en alleen door zich
open te stellen voor een mogelijk gevaar dat men risico loopt.
Een voorbeeldje ter verduidelijking: een aardappelmesje op zich is wegens
zijn scherpheid gevaarlijk, vooral wanneer het in handen van kinderen
terecht komt kan het ernstige gevolgen geven. Wanneer het aardappelmesje
veilig in een schuif ligt, blijft het mogelijke gevaar op verwonding bestaan
maar men stelt zich er niet aan bloot want men gebruikt het mesje niet,
er is dus geen risico. Wanneer het mesje echter in de hand genomen wordt,
wordt een risico genomen. Het uiteindelijke risico is bovendien afhankelijk
van wie het mesje ter hand neemt. Het risico voor iemand die op de hoogte
is van de mogelijke gevaren is veel kleiner dan wanneer het mesje terecht
komt in een nieuwsgierige kinderhand.
Ook voor gewasbeschermingsmiddelen is dit gevaar-risico verhaal van toepassing!
Vraag 6 : Zijn de plantenbeschermingsmiddelen
toxisch ?
"Alle stoffen zijn giftig en geen enkele stof is giftig. De juiste
dosis maakt een stof tot gif of geneesmiddel" vertaald uit het
Engels, Paracelsus, 16de eeuw.
Vandaag is één van de prioriteiten bij het ontwikkelen van gewasbeschermingsmiddelen
hun toxicologisch en eco-toxicologisch profiel. Enkel producten die een
perfecte garantie bieden voor de gezondheid van mens en omgeving, worden
goedgekeurd.
Langs de andere kant blijkt dat in onze dagelijkse voeding natuurlijke
bestanddelen zitten waarvan blijkt dat ze kankerverwekkend zijn*:
zwarte peper bevat bijvoorbeeld safrol en piperine. Het toedienen van
extracten van zwarte peper aan muizen in een dosis van 140 mg/kg gedurende
3 maanden, resulteert zo bijvoorbeeld in de ontwikkeling van tumoren in
heel wat organen.
Het is belangrijk te onderlijnen dat de kwaliteit van de voeding voortdurend
gestegen is tijdens de laatste 50 jaar. Er kan vandaag geen enkele bij
de mens gekende ziekte verweten worden aan de producten voor plantenbescherming.
In onze ontwikkelde landen mogen we gelukkig zijn dat het grootste risico
voor onze gezondheid ligt in het feit dat we te veel, te vet en te weinig
gevrieerd eten.**
*Bruce N. Ames et Lois Swirsky Gold -
Pollution, cancer et alimentation - La Recherche (1999) 324 - p.46-55
** American Institute for Cancer Research - Food, Nutrition and the Prevention
of Cancer: a global perspective - Expert Report (1997)
Vraag 7 : Hoe zit het met
de residu's in de voeding ?
De wettelijke normen zijn veel strenger dan noodzakelijk voor voedselveiligheid.
Ze worden vastgesteld om het milieu te beschermen en om te voorkomen dat
er onnodig veel gebruikt wordt van een bepaald product, bovendien houden
ze rekening met de grotere gevoeligheid van kinderen, zieken, zwangere
vrouwen en ouderen. Dit betekent dat overschrijdingen van de normen meestal
geen risico opleveren voor de volksgezondheid.
Welke normen heeft men vastgesteld voor residu's ?
Om een dagelijks toegestane dosis (ADI = Acceptable Daily Intake) te bepalen
begint men in een laboratorium met een dosis zonder effect op te stellen.
Deze dosis (NOEL) is de hoogste die, wanneer ze dagelijks opgenomen wordt
door het gevoeligste laboratoriumdier gedurende zijn hele leven, geen
enkel observeerbaar effect teweegbrengt. Bij de mens wordt de ADI berekend
door de NOEL te delen door een veiligheidscoëfficient ten minste gelijk
aan 100 (10 voor de extrapolatie naar de mens en nog eens 10 om elk risico
op vlak van volksgezondheid voor alle bevolkingsgroepen:baby's, kinderen,
volwassenen, zwangere vrouwen, …volledig uit te sluiten). De ADI-dosis
is dus de hoeveelheid residu's in mg/kg gewicht die dagelijks in alle
veiligheid opgenomen kan worden door de mens*.
Voor de erkenning, moeten een MRL (maximum residu limiet) vastgelegd
worden voor elke teelt. Hiervoor worden per teelt residustudies uitgevoerd
na toepassing van het product via de Goede Landbouwpraktijken. De hoeveelheid
residu die bij de oogst aldus teruggevonden wordt, wordt vermenigvuldigd
met wat een gemiddelde persoon van het betreffende gewas dagelijks kan
consumeren (vastgelegd in de Food Basket). Dit resulteert in de hoeveelheid
residu's die per dag zouden kunnen opgenomen worden door de mens. Deze
MRL ligt lager en in de meeste gevallen zelfs veel lager dan de Dagelijks
Aanvaardbare Dosis (ADI). Het grote tot erg grote verschil tussen de mogelijke
opname van een product (via de voedingsmiddelen die het zouden kunnen
bevatten) en de ADI betekent een nog een grotere veiligheid voor de consument
en brengt met zich mee dat een beperkte overschrijding van de MRL geenszins
een gevaar voor de volksgezondheid betekent. Alvorens een GBM in verschillende
teelten wordt erkend, wordt er ook nog eens nagegaan of er voor die bepaalde
actieve stof, via de theoretische dagelijkse opname (Food Basket) geen
overschrijding is van de aanvaarde dagelijkse opname.
Weet u dat voor het overschrijden van de aanvaardbare dagelijkse dosis
(ADI) van 0.05 mg/kg lichaamsgewicht een gewasbeschermingsmiddel met een
toegestane residuwaarde van 0,1 mg per kilogram appel (MRL), een volwassene
van 60 kg er 30 kilogram per dag zou moeten van eten?
Ook verklaarde FAO tijdens de 22ste regionale conferentie voor Europa
in juli 2000 het volgende: "Europese studies betreffende het totale
voedselpakket tonen aan dat aanwezigheid van residu's zeer klein is en
vaak zelfs lager dan 1 % van de aanvaardbare dagelijkse dosis (DJA) die
bepaald werd aan de hand van toxicologische studies".
*EU Scientific Comittee for Food, opinion
adopted 4 June 1998
Bij de erkenning van een nieuw gewasbeschermingsmiddel worden de maximale
residu limieten (MRL's) voor de verschillende gewassen vastgelegd. Deze
MRL's zijn de maximaal te verwachten residuniveaus bij toepassing van
de Goede Landbouwpraktijken in een "worst case" situatie dwz met een maximum
aantal toepassingen tijdens de teelt en met de vastgestelde veiligheidstermijn
voor de oogst. De voorschriften betreffende het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
worden gecontroleerd aan de hand van op regelmatige basis uitgevoerde
residucontroles. Als daaruit blijkt dat de MRL overschreden wordt,
mogen de gewassen niet verhandeld en niet verwerkt worden.
Elke Europese lidstaat is verplicht om op basis van Europese aanbevelingen,
nauwgezet het residugehalte op te volgen van de in de lidstaat verkochte
plantaardige producten. Hierbij worden door officiële, door de overheid
erkende GLP gecertificeerde laboratoria residucontroles uitgevoerd op
groenten en fruit bij producenten, op veilingen, bij groothandelaars en
zelfs in winkels. De analyses gebeuren specifiek naar bepaalde werkzame
stoffen of volgens een multi residueel programma met een zeer hoge efficiëntie.
In Belgie loopt het hele controleprogramma onder het toezicht van het
Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. Er wordt
daarbij extra gericht gezocht naar gewassen die ervan verdacht worden
residu's te bevatten in hoeveelheden die de toegelaten limieten overschrijden.
De bedoeling van dergelijke gerichte controles bestaat voornamelijk
uit het blijvend aanzetten van land-en tuinbouwers om de wetgeving strikt
na te leven, om zo continu een kwalitatief hoogstaande plantaardige productie
te garanderen. De resultaten van dit onderzoek worden ieder jaar gepubliceerd
op de website van de Europese Unie, http://www.europa.eu.int/
Zonder gewasbeschermingsmiddelen zouden we opnieuw in een situatie terechtkomen
zoals onze voorouders die kenden in 1850. Toen werd in Ierland de complete
aardappeloogst vernietigd door de aardappelplaag met als gevolg tienduizenden
doden en vluchtelingen.
"In tegenstelling tot wat men algemeen aanneemt, wordt een product
van biologische landbouw niet gedefinieerd door een afwezigheid van residuen
van pesticiden" aldus het Franse Algemeen Bestuur voor Concurrentie,
Consumptie en Frauderepressie (DGCCRF).
De reglementering onderwerpt producenten van biologische landbouwproducten
immers aan een inspanningsverbintenis, en niet aan een verbintenis op
het vlak van resultaten. Een belangrijke nuance die kritische consumenten
grotendeels ontgaat. Want biologische landbouwers zijn niet verplicht
te garanderen dat hun product geen enkel residu bevat.
Bovendien is de natuurlijke oorsprong van pesticiden die toegestaan zijn
in biologische landbouw geen garantie voor hun onschuld.
Anthony Trewavas heeft in zijn artikel "Urban Myths of organic farming"
(gepubliceerd op 22 maart 2001 in het tijdschrift "Nature") bevestigd
dat wetenschappers bewezen hebben dat sommige in de biologische landbouw
gebruikte pesticiden erg toxisch zijn, zowel voor de volksgezondheid
als voor het leefmilieu. Rotenon bijvoorbeeld, een insecticide dat uit
tropische planten komt en veel gebruikt wordt in biolandbouw, is giftig
voor sommige dieren en vooral voor vissen. Daarnaast zijn er nog verschillende
andere veelvuldig in de biolandbouw gebruikte stoffen die ernstige problemen
kunnen veroorzaken, bijvoorbeeld Pyrethrum, Bt-sporen en kopersulfaat.
De FAO benadrukt eveneens in "Invloed van de biolandbouw op de onschadelijkheid
en de kwaliteit van de voeding" (Porto, 24-28 juli 2000) dat "de chemische
contaminaties afkomstig van de algemene milieuverontreiniging zich in
gelijke hoeveelheden bevinden in voedingsmiddelen afkomstig van biologische-
en klassieke landbouw. Dit is nauwelijks verrassend gezien de verontreinigende
stoffen die de bodem doordringen, zoals gechloreerde koolwaterstoffen
en bepaalde zware metalen, niet vermeden kunnen worden met teelttechnieken".
Bovendien blijkt uit alle studies* die gevoerd
zijn om verschil te achterhalen tussen biologisch en klassiek of geïntegreerd
geproduceerd voedsel dat er nauwelijks een onderscheid is te maken
qua smaak en voedingswaarde. Als er al een verschil is, heeft dat
te maken met bodemtype, weersomstandigheden, pluktijdstip, plantenvariëteit
en/of de manier van opslagen van het voedsel. Bovendien koop je onvermijdelijk
producten van het seizoen als je biologisch koopt en ook dat kan een oorzaak
zijn.
Algemeen wordt verondersteld dat de milieubelasting in gangbare of geïntegreerde
landbouw hoger ligt. Nochtans is dit niet zo duidelijk! Verschillende
studies** kwamen reeds tot het besluit dat
het onmogelijk is een eenduidig antwoord te geven op de vraag of milieubelasting
in één van de systemen (door onkruidbestrijding in biologisch, geïntergreerd
en gangbaar systeem) hoger ligt dan in een ander.
*Michael Miersch - is organic food really
better? - Welt am Sonntag - 7 november 2004
**M.M. Riemens, R.Y. van der Weide en
J. Hoek - Milieubelasting door onkruidbestridjing in een biologisch, geïntegreerd
en gangbaar systeem - Praktijkonderzoek Plant&Omgeving, februari 2004
Vandaag is één van de prioriteiten bij het ontwikkelen van gewasbeschermingsmiddelen
hun toxicologisch en eco-toxicologisch profiel. Enkel producten die een
perfecte garantie bieden voor de gezondheid van mens en omgeving, krijgen
een erkenning.
Gewasbeschermingsmiddelen kunnen daarenboven juist een oplossing bieden
voor het milieu en de biodiversiteit.
Het verdwijnen van wilde plantensoorten of dieren is immers niet het
gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op zich, maar van
de toegenomen menselijke activiteiten in het algemeen*:
stedenbouw, wegen, industriegebieden en natuurlijk ook de steeds grotere
landbouwoppervlakte nodig voor de voedselproductie… Hierdoor blijft er
steeds minder plaats over voor de natuurlijke habitat van bepaalde planten-
en diersoorten.
Gewasbeschermingsmiddelen laten nu net toe meer te produceren op een
kleinere oppervlakte en bieden aldus een oplossing voor de groeiende
nood aan voedingsmiddelen zonder dat er nog meer natuur moet verdwijnen
voor laagproductieve landbouw.
*Samenvatting Signalen van MIRA-T 2003,
hoofdstuk ruimtegebruik
Duurzame landbouw wordt als volgt gedefinieerd :
Een geïntegreerd systeem van de productie van dierlijke en plantaardige
producten dat op lange termijn :
- voldoet aan de menselijke voedingsbehoeften
- de kwaliteit verbetert van het milieu en de natuurlijke hulpbronnen
waarop de landbouw gebaseerd is
- op de meest efficiënte manier de niet-hernieuwbare natuurlijke
grondstoffen gebruikt
- de economische leefbaarheid van de landbouwactiviteiten veilig stelt
- de levenskwaliteit van de landbouwers en van de totale maatschappij
verbetert
De fytofarmaceutische industrie ondersteunt, door de producten die ze
op de markt brengt, een duurzame landbouw. Immers, morgen zijn er ongeveer
200.000 mondjes meer te voeden in deze wereld (dagelijkse groei van de
wereldbevolking).
Dus is het belangrijk dat we meer kunnen produceren op een kleiner wordende
oppervlakte.
In 1900 stond 1 ha in voor de voeding van 1 persoon.
In 2050 zal 1 ha 7 personen moeten voeden.
Gewasbeschermingsmiddelen dragen bij tot een duurzame landbouw. Bij
een juist gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zijn ze immers perfect
veilig voor mens, dier, plant en milieu.
Elk misbruik van een gewasbeschermingsmiddel echter geeft het vertrouwen
van de consument een deuk en kan het milieu onnodig belasten. Redenen
genoeg dus om elk middel correct te gebruiken, via het naleven van de
Goede Landbouwpraktijken.
Goede Landbouwpraktijken ?
VOOR DE BEHANDELING
- lees eerst en vooral aandachtig het etiket;
- kies het product in functie van het doel dat u wil bereiken;
- bewaar de producten in een droge afgesloten ruimte, buiten bereik
van kinderen en verwijderd van voedingsmiddelen;
- controleer de goede werking en afstelling van de spuitmachine;
- test de toepssingsdosis in functie van de snelheid waarmee het toestel
voortbeweegt en in functie van het debiet van de spuitdoppen.
TIJDENS HET KLAARMAKEN
- niet eten of drinken bij het bereiden van de spuitvloeistof;
- draag geschikte beschermende kledij en neem een maximum aan voorzorgen
bij het mengen van het product;
- pas het volume van het mengsel aan de te behandelen oppervlakte aan
zodat u geen overschot hebt;
- volg zorgvuldig het vullen van de sproeier om overlopen te voorkomen;
- indien de verpakking leeg is, spoel ze 3 keer met zuiver water en
schud ze krachtig, giet het spoelwater in de spuittank. Ook de afsluitdoppen
worden gespoeld;
- het deksel van de sproeier goed sluiten.
TIJDENS HET GEBRUIK
- overspuit geen grachtkanten of bermen en respecteer de bufferzones;
- vermijd dubbele behandelingen en behandel enkel het te beschermen
gewas;
- vermijd afspoeling en behandel dus niet bij veel wind of regen;
- behandel bij voorkeur 's morgends of 's avonds (windstil);
- zet recht aan bij perceelsranden.
NA DE BEHANDELING
Spuitoverschotten
- verdun ze en spuit over het al behandelde gewas;
- spoel het toestel en bescherm het na gebruik tegen regen.
Bewaren van de verpakkingen
- plaats de geopende verpakkingen in een daartoe voorziene opslagruimte;
- bewaar de lege verpakkingen, goed gespoeld, open, in de speciale
Phytofar-Recoverzakken, stockeer ze op een droge plaats. Zegels en afsluitdoppen
horen ook thuis in dezelfde zakken.
VOORZORGEN
- handen, gelaat en alle lichaamsdelen die met het product of de spuitvloeistof
konden in aanraking komen, zorgvuldig wassen met water en zeep.
Integrated Crop Management betekent dat bij de productie gebruik gemaakt
wordt van zowel traditionele als moderne productietechnieken. De bedoeling
is te werken met een maximaal respect voor de gebruiker, de menselijke
gezondheid en het milieu en dit met het behoud van een goede rentabiliteit.
ICM houdt bijvoorbeeld in: een optimale teelrotatie om de ziektedruk te
verminderen, het gebruik van weinig ziektegevoelige variëteiten,
een betere diagnose van de ziekten, het vaststellen van schadedrempels,
het behandelen volgens advies van waarschuwingscentra,
IPM of Integrated Pest Management is een onderdeel van ICM en slaat
voornamelijk op het gedeelte plantenbescherming. Bij IPM wordt er
zowel gebruik gemaakt van biologische als chemische bestrijdingsmethodes.
Er wordt steeds gekozen voor producten met een zeer specifieke werking
d.w.z. enkel tegen de ziekte of plaag die een probleem vormt.
Voor de bestrijding van insecten gebruikt men waar mogelijke natuurlijke
vijanden.
Enkele concrete voorbeelden : In België is de geïntegreerde teelt wettelijk
geregeld voor pitfruit. Ook bij groenten onder glas en in de sierteelt
wordt het succesvol toegepast. Daarnaast wordt er in verschillende teelten
gebruik gemaakt van waarschuwingssystemen die ervoor zorgen dat enkel
behandeld wordt indien het noodzakelijk is: vb ter voorkoming van aardappelplaag.
Een nieuw product op de markt brengen vraagt een investering van 150
tot 200 miljoen euro en neemt 8 tot 10 jaar in beslag. Het overgrote deel
van dit bedrag gaat naar onderzoek en ontwikkeling. De gewasbeschermingsmiddelenindustrie
spendeert immers enorm veel aandacht aan de ontwikkeling van steeds veiligere
en milieuvriendelijkere producten.
Dankzij dit ver doorgedreven onderzoek voor de indsutrie zijn er nieuwe
producten ontwikkeld die werkzaam zijn aan veel lagere dosissen en bovendien
minder giftig of gevaarlijk zijn voor het milieu.
Een concreet voorbeeld is de behandeling van suikerbieten met insecticiden
: een zaadbehandeling met een kleine hoeveelheid actieve stof waarvan
de hoge doeltreffendheid toelaat om het gebruik van blad-insecticiden
te vermijden, heeft zo een vermindering van meer dan 90 % teweeggebracht
in het gebruik van producten voor plantenbescherming per hectare.
Ook in graangewassen is de dosis actieve stof in kg/ha van 4,7 naar 2,64
(2003) gedaald. Een reductie van 44%.
Dankzij het weloverwogen gebruik van fytosanitaire producten, beschikt
de consument over voldoende, gezonde en betaalbare voedingsmiddelen
:
VOLDOENDE: dankzij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen gaat er
minder voedsel verloren ten gevolge van schade door insecten, schimmels,
…
GEZOND: sommige schimmels zijn echt schadelijk omdat zij kankerverwekkende
stoffen kunnen synthetiseren, de zogenaamde mycotoxines. De schimmel Penicillium
bijvoorbeeld kan de productie van Patuline in appels en afgeleide producten
bevorderen. Gewasbeschermingsmiddelen kunnen ervoor zorgen dat deze stoffen
niet aangemaakt worden;
BETAALBAAR: Dankzij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan er
bespaard worden op handenarbeid en is er een hogere productie per oppervlakte
mogelijk zodat de prijs van groeten en fruit betaalbaar wordt voor een
grotere groep mensen.
Bij het gebruik van producten voor de plantenbescherming, kunnen kleine
hoeveelheden in het oppervlaktewater terechtkomen en in sommige omstandigheden
in het grondwater dat aan de basis ligt voor de drinkwaterwinning. Het
onderzoek en de ontwikkeling van de agrochemie hebben als doel producten
op punt te stellen of technieken te ontwikkelen die het risico op residu's
in het drinkwater beperken. De bescherming van het water is een Europese
prioriteit.
De Europese wetgeving is op dit vlak zeer streng en beperkt hun aanwezigheid
dan ook tot 0.1 µg/l voor een geïsoleerde substantie in drink-
of grondwater (richtlijn 80/788/CEE). Deze Europese limiet is niet
verbonden met risico's voor de gezondheid maar werd wel opgesteld op basis
van de minimale concentratie die gedetecteerd kan worden volgens het principe
dat de gewasbeschermingsmiddelen niet in het water teruggevonden mogen
worden. Wist u trouwens dat deze limiet overeenkomt met 4mm t.o.v.
de totale omtrek van de aarde of met 1 gram op 1 miljoen liter water?
Sinds 1996 loopt er een overeenkomst tussen Belgaqua-Phytofar met
als objectief een efficiënte bescherming te garanderen van onze watervoorraden
voor drinkwater. Dit alles met respect voor het economisch evenwicht
en de technologische eisen die toestaan dat de landbouw en de productie
van voedingsmiddelen concurrentieel kan gebeuren in België. Meer
details kan u vinden in de rubriek Phytofar-Belgaqua
op deze website.
Vraag 17 : Waarom worden
zaadbehandelingen uitgevoerd ?
Verschillende schimmels en insecten kunnen kiemende zaden aantasten waardoor
de teelt mislukt. Om de zaden te beschermen tegen deze plagen wordt een
zaaizaadbehandeling uitgevoerd. Indien er geen zaaizaadbehandelingsmiddelen
gebruikt worden, kan in bepaalde gevallen de productie met meer dan 50
% terugvallen.
- Zaaizaadbehandelingsmiddelen hebben het voordeel dat er slechts
zeer lage hoeveelheden ai/ha nodig zijn en dat er zeer gericht
kan gewerkt worden: met een zaadbehandeling wordt in tegenstelling
tot bij de conventionele behandelingen, minder dan 1% van het perceel
behandeld. De zaadbehandeling beperkt aldus de blootstelling van nuttige
organismen en van waterorganismen tot een minimum;
- Ze garanderen een maximale veiligheid voor de landbouwer/gebruiker
aangezien hij niet direct wordt blootgesteld aan het product. Tevens
vervangt de zaadbehandeling een aantal bespuitingen die normaal later
op het gewas worden toegepast zodat ook het contact van de landbouwer
met gewasbeschermingsproducten verder beperkt wordt;
- De behandeling van het zaad wordt met precieze industriële technieken
uitgevoerd door gespecialiseerde bedrijven in gecontroleerde omstandigheden
zodat het risico op overdosering wordt uitgesloten.
Vraag 18 : Beïnvloeden
GBM de hormoonhuishouding ?
Het debat in verband met hormoonverstoring komt neer op de mate van
blootstelling aan lage hoeveelheden van 'op hormoon-gelijkende' chemische
of natuurlijke producten in voeding en milieu. Deze producten zouden
kunnen interfereren met het hormonale systeem en leiden tot schadelijke
effecten op mens en natuur.
De mens wordt niet alleen blootgesteld aan zeer lage niveaus van synthetische
hormonen, maar ook en in veel grotere mate aan natuurlijke hormonen: inderdaad,
in onze dagelijkse voeding zitten verschillende natuurlijke stoffen (bv.
cafeïne) met een hormoonverstorend effect dat vele duizenden keren sterker
is dan dat dat eventueel veroorzaakt zou kunnen worden door synthetische
stoffen zoals residu's van gewasbeschermingsmiddelen*.
Hierdoor kan vanuit toxicologisch oogpunt gesteld worden dat er eerder
verwacht kan worden dat vers voedsel een veel grotere bedreiging betekent
voor een eventuele verstoring van de hormoonhuishouding dan synthetische
chemische stoffen. Via onze voeding worden we immers in veel grotere
mate blootgesteld aan natuurlijke hormoonanalogen (mimics) die ook een
veel groter hormoonverstorend vermogen hebben dan de eventuele residu's
van gewasbeschermingsmiddelen die uitgebreide testen ondergaan en waar
de mens in slechts heel beperkte mate wordt blootgesteld.
Vooraleeer gewasbeschermingsmiddelen erkend worden, ondergaan ze uitgebreide
toxicologische onderzoeken die toelaten om mogelijke hormoonverstorende
effecten te detecteren. Richtlijn 91/414 eist dat er hiervoor in elk dossier
voor aanvraag van een erkenning studies aanwezig zijn die lopen over twee
generaties. Deze studies zijn het beste middel om eventuele hormonale
effecten te ontdekken. Bij het al dan niet erkennen van een gewasbeschermingsmiddel
en bij het toekennen van een ADI-waarde (aanvaardbare dagelijkse dosis),
wordt er vanzelfsprekend rekening gehouden met de bekomen resultaten.
De Europese gewasbeschermingsindustrie is een sterk voorstander van een
benadering gebaseerd op wetenschap en risico in om het even welke beslissing
op vlak van toelating voor wat betreft de hormoonverstorende stoffen.
De Europese gewasbeschermingsindustrie staat volledig achter de verdere
ontwikkeling en het bevorderen van producten en praktijken die geen schade
berokkenen aan mens en natuur. Omdat er nog steeds een aantal vragen
blijven bestaan omtrent deze problematiek, werkt de Europese gewasbeschermingsindustrie
samen met een reeks internationale partners om vooruitgang in het onderzoek
naar hormoonverstoring te verzekeren.
*Bruce N.
Ames et Lois Swirsky Gold - Pollution, cancer et alimentation - La recherche
(1999) 324 - p.46-55
Vraag 19 : Verhogen GBM
de kans op kanker ?
Gewasbeschermingsmiddelen krijgen een erkenning en zijn dus pas toegelaten
als via diverse studies werd aangetoond dat ze bij een correcte toepassing
perfect veilig zijn naar mens, dier en milieu toe. Elke erkenning van
een gewasbeschermingsmiddel is gebaseerd op risico-evaluaties waarbij
extra strenge veiligheidsfactoren worden ingebouwd voor extrapolatie naar
de zwakste bevolkingsgroepen.
Een daling van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is absoluut
geen goed middel om kankers en andere 'voedingsgebonden' ziekten te voorkomen.
Sterker nog, gewasbeschermingsmiddelen spelen een belangrijke rol in het
voorkomen ervan. Wij citeren (vertaald uit het Frans): 'Geen enkele
epidemiologische of toxicologische studie toont een kankerverwekkend effect
aan van de verschillende binnen de erkende en wettelijke normen aanwezige
stoffen in onze voeding. Deze normen worden bepaald door het erkenningscomité
en daarbij wordt rekening gehouden met Europese en internationale richtlijnen.
De veiligheid van ons voedsel in vraag stellen, leidt de aandacht af van
de echte problemen: overgewicht, te zoete en/of te vetrijke voeding, onvoldoende
fruit- en groenteverbruik*'.
Zonder gewasbeschermingsmiddelen zouden de prijzen van groenten en
fruit de lucht ingejaagd worden met een verminderde consumptie tot gevolg.
En dat is net de oorzaak van de meeste 'voedselgebonden' ziektes zoals
hart- en vaataandoeningen, cataract, en kanker om er maar enkele te noemen**.
Bovendien dient opgemerkt te worden dat de blootstelling van de mens
aan mogelijke kankerverwekkende stoffen niet enkel de synthetische chemische
stoffen betreft maar ook de chemische stoffen van natuurlijke oorsprong.
Deze vertegenwoordigen 99,9% van de totale hoeveelheid aan chemische stoffen
die we opnemen via onze voeding***. Het zijn
stoffen die door de planten zelf geproduceerd worden om zich te beschermen
tegen aanvallen van buitenaf (insecten, schimmels..). Elke plant produceert
zo zijn eigen gamma aan 'chemische wapens'.
Vele studies tonen aan dat er geen direct aantoonbaar verband is tussen
blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en bijvoorbeeld kankers**.
Omdat het een erg complex gegeven is waarbij ook andere factoren zoals
genetische factoren en levensstijl (foute eetgewoontes, roken…) een rol
spelen, blijft verder onderzoek belangrijk.
* G.
Van Maele-Fabry and J.L Willems - Occupational related pesticide exposure
and cancer of the prostate : a meta-analysis
** Lettre
ouverte du professeur Maurice Tubiana, Membre de l'Académie des Sciences
et de l'Académie de Médecine et du docteur Cathérine Hill, chef du service
Epidémiologie de l'Institut Gustave Roussy. France mai, 2004
*** Bruce N. Ames et Lois Swirsky Gold - Pollution, cancer et alimentation
- La recherche (1999) 324 - p.46-55
Vraag 20 : Zijn er potentiële
effecten van mutiresiduen (cocktaileffecten) bij het gebruik van meerdere
GBM?
Het kan zijn dat er residu's van verschillende gewasbeschermingsmiddelen
teruggevonden worden omdat het soms nodig is om verschillende middelen
te gebruiken wanneer een gewas bijvoorbeeld door verschillende ziekten
of plagen wordt aangevallen. Het gebruik van verschillende gewasbeschermingsmiddelen
voorkomt bovendien de ontwikkeling van resistentie en verhoogt de efficiënte
bestrijding van het complex van ziekten en plagen. Het gebruik van
verschillende gewasbeschermingsmiddelen kan eveneens het residu niveau
van ieder product in het voedsel doen verminderen.
Consumenten worden continu blootgesteld aan enkele honderden chemische
stoffen van uiteenlopende herkomst: voedsel, drank, drinkwater, cosmetica,
geneesmiddelen,…. De dosis maakt de giftigheid uit. Dit geldt ook
voor mengsels van chemische stoffen. Het risico dat aan residu's kan verbonden
zijn, of het nu over één residu of meerdere residu's gaat, hangt af van
de hoeveelheid die wordt teruggevonden, de hoeveelheid van het voedsel
dat we opnemen en de Dagelijks Aanvaardbare Dosis (ADI) van elke stof.
Het niveau van residuen, zelfs multiple residuen, ligt bijzonder laag,
dankzij strenge veiligheidsmarges, ver beneden de dagelijkse aanvaardbare
dosis en de dosis die geen effect geeft (NOAEL - No-observed-Adverse Effect-Level).
Er werden nooit schadelijke effecten aangetoond als verschillende chemische
stoffen tegelijkertijd aanwezig waren bij No-Observed-Adverse-Effect-Levels
(NOAEL, zie vraag 7). Consumenten worden bovendien slechts blootgesteld
aan gewasbeschermingsmiddelen bij sporenconcentraties die veel lager zijn
dan de dosis waarbij er geen schadelijk effect wordt waargenomen (NOAEL).
Veel wetenschappers hebben de mogelijke effecten van multiresiduen bestudeerd
en hebben nooit additieve of versterkende effecten waargenomen. Zo hebben
verschillende onafhankelijke experten van het Agentschap voor de Veiligheid
van de Voedselketen in de UK, diverse onderzoeken gevoerd betreffende
de multiresidu-problematiek en zijn telkens tot dezelfde conclusie gekomen,
meer bepaald dat er geen reden is om aan te nemen dat de aanwezigheid
van verschillende residu's de gezondheid in gevaar zou brengen*.
Omdat er nog steeds een aantal vragen blijven bestaan, bestudeert het
Europese Voedselagentschap, EFSA, alle mogelijke methodes om cummulatieve
effecten beter en vollediger te kunnen evalueren. De Europese gewasbeschermingsindustrie
ijvert voortdurend voor producten en praktijken die geen schade berokkenen
aan mens en natuur en staat dus volledig achter deze verdere ontwikkeling
en verleent haar medewerking.
* Risk Assessment of mixtures of pesticides
and similar substances - Committee on Toxicity of Chemicals in Food, Consumer
products and the Environment - September 2002 -
http://www.food.gov.uk/multimedia/pdfs/report(indexed).pdf
Vraag 21 : Zijn GBM betrokken
bij 'REACH' ?
In oktober 2003, heeft de Europese commissie een voorstel voor nieuwe
EU-regels voor chemicaliën gepresenteerd. In het voorgestelde systeem,
dat REACH wordt genoemd (registratie, evaluatie en autorisatie van chemicaliën),
moeten bedrijven die per jaar een ton of meer van een chemische stof vervaardigen
of invoeren, die stof in een centrale databank registreren. De geregistreerde
informatie zal betrekking hebben op de eigenschappen van de stof, het
gebruik ervan en de maatregelen die in acht genomen moeten worden voor
een veilig gebruik van de stof. De stoffen die waarover onduidelijkheid
of onzekerheid bestaat en de stoffen die een onverantwoord risico stellen,
zullen daarbij verboden worden.
Actieve stoffen die geproduceerd of ingevoerd worden voor gebruik
in gewasbeschermingsmiddelen die vallen onder de Europese Richtlijn 91/414
of voor gebruik in biociden die moeten beantwoorden aan de eisen van Richtlijn
98/8 moeten niet meer bijkomend geregistreerd worden. De bestaande richtlijnen
leggen immers al de hoogste eisen op naar aanwezigheid van belangrijke
informatie inzake toxiciteit, ecotoxiciteit en biologische werkzaamheid.
Zullen wel geregistreerd moeten worden:
- Actieve stoffen die elders gebruikt worden dan in gewasbeschermingsmiddelen
of biociden
- De zogenaamde 'essential use' actieve stoffen
- Bepaalde hulpstoffen die gebruikt worden in gewasbeschermingsmiddelen
en biociden
- Intermediaire producten waarvan de jaarlijks gebruikte hoeveelheden
groter zijn dan 1 ton.
Vraag 22 : Wat met pesticiden
in ons bloed ?
Alle levende organismen komen in hun omgeving in contact met honderden
natuurlijke en synthetische chemische stoffen van uiteenlopende herkomst:
voedsel, drank, drinkwater, cosmetica, geneesmiddel,…. Vaak worden die
opgenomen met de voeding, via de ademhaling of drinken of door direct
contact. Deze stoffen worden ontbonden of omgezet in nevenproducten en
doorgaans uitgescheiden via de bekende fysiologische mechanismen. Het
spreekt dus vanzelf dat de aanwezigheid van een chemische stof, natuurlijk
of synthetisch, op zich geen risico hoeft in te houden voor de gezondheid
en zeker niet als alarmerend moet bestempeld worden.
Dankzij de snelle vooruitgang van de analytische chemie kunnen wij vandaag
in menselijk weefsel en lichaamsvloeistoffen onvoorstelbaar kleine hoeveelheden
van een reeks stoffen meten. Biomonitoring op zich geeft maar een
momentopname van de stoffen die in het lichaam aanwezig zijn op het moment
van de staalname. Het geeft geen enkele informatie over de bron van
de stoffen, noch over haar evolutie, noch over de relevantie van de betrokken
stoffen voor de gezondheid.
Vandaag is één van de prioriteiten bij het ontwikkelen van gewasbeschermingsmiddelen
immers hun toxicologisch en eco-toxicologisch profiel. Zo wordt de
toxicologische impact van de aanwezigheid van een GBM in het bloed uitvoerig
bestudeerd in het kader van het erkenningsdossier. Per teelt en per GBM
wordt er bovendien een residulimiet vastgelegd op basis van de Goede Landbouwpraktijken
en op basis van het gemiddelde dieet van de consument. Deze limiet mag
zeker nooit hoger zijn dan en ligt bijna altijd veel lager dan de dagelijks
aanvaardbare dosis die bepaald wordt aan de hand van toxicologische laboproeven.
Enkel producten die een perfecte garantie bieden voor de gezondheid
van mens en omgeving, krijgen een erkenning.
Vraag 23 : Vormen GBM
een groter risico voor zuigelingen en kinderen ?
Enkel producten die voldoen aan een hele reeks toxicologische testen
die gelijkwaardig zijn aan deze voor farmaceutische producten, krijgen
een erkenning.
Bij kinderen en meer specifiek bij zuigelingen, is het dieet minder gevarieerd
dan bij volwassenen en is de voedselopname in verhouding tot het lichaamsgewicht
veel groter. Zij worden relatief gezien dan ook blootgesteld aan een grotere
hoeveelheid residu's van een bepaald product. Vandaar dat er bij de
evaluaties van de risico's die inherent zijn aan een erkenningsaanvraag,
steeds grote veiligheidsfactoren worden toegepast om elk risico uit te
sluiten voor de meest gevoelige groepen van de bevolking (zuigelingen,
kinderen, zieken, zwangere vrouwen, ouderen).
Vraag 24 : Moeten
fruit en groenten worden gewassen ?
Tijdens het transport van groenten en fruit en ook in de winkel is het
steeds mogelijk dat er stof op fruit en groenten terecht komt. Bovendien
hebben mogelijk al verschillende mensenhanden het fruit en de groenten
aangeraakt. Het is dan ook erg aanbevolen om fruit en groenten voor de
bereiding of voor het eten te wassen. De strenge wettelijke normen
die bestaan voor residu's van gewasbeschermingsmidddelen worden bepaald
voor ongewassen fruit en groenten.
Vraag 25 : Wat
is het KB voor autocontrole, traceerbaarheid en meldingsplicht ?
Op 12 december 2003 verscheen in het Staatsblad het langverwachte KB
rond de autocontrole, de meldingsplicht en de traceerbaarheid. Dit KB
is van toepassing doorheen de hele voedselketen en legt aan alle actoren
die onder de bevoegdheid van het FAVV vallen dezelfde vereisten op. De
fytofarmaceutische sector is één van deze actoren en stelde
al voor de tot stand koming van dit KB alles in het werk om de voedselveiligheid
in al zijn facetten te garanderen. Ook is de fytofarmaceutische sector
een van de eerste sectoren die een sectorale gids voor de autocontrole
heeft opgesteld.
Wat staat er nu in het KB?
- Autocontrole:
A. Iedereen, uitgezonderd de primaire productie, moet een autocontrolesysteem
instellen, toepassen en uitvoeren. Dit systeem moet de veiligheid
van de producten omvatten en moet gebaseerd zijn op 8 principes
van het HACCP systeem:
- Identificeren van elk gevaar dat moet worden voorkomen, geëlimineerd
of tot een aanvaardbaar niveau gereduceerd;
- Identificeren van de CCPs (kritische controle punten);
- Vaststellen van de kritische grenswaarden voor de CCPs om te kunnen
bepalen wat al dan niet aanvaardbaar is op het vlak van preventie,
eliminatie of reductie van een onderkend gevaar. · Vaststellen en
toepassen van efficiënte bewakingsprocedures voor de CCPs · Vaststellen
van corrigerende maatregelen;
- Vaststellen van verificatieprocedures;
- Opstellen van documenten en registers, aangepast aan de aard en
omvang van het bedrijf, om aan te tonen dat de punten 1 tot en met
6 daadwerkelijk worden toegepast;
- Indien nodig, opstellen van bemonsterings- en analyseplannen
die toelaten zich te verzekeren van de geldigheid van het autocontrolesysteem.
B. Verder kan een exploitant ook dergelijk systeem invoeren
voor de kwaliteit van zijn producten, dit is echter niet verplicht.
- Traceerbaarheid:
A. Men moet beschikken over systemen of procedures waarmee de ontvangen
producten worden geregistreerd: aard, identificatie, hoeveelheid,
datum ontvangst, identificatie leverancier en alle andere zaken door
de minister opgelegd;
B. Men moet beschikken over systemen of procedures waarmee de afgevoerde
producten worden geregistreerd: aard, identificatie, hoeveelheid,
leveringsdatum, identificatie afnemer en alle andere zaken door de
minister opgelegd;
C. Men moet beschikken over systemen of procedures waarmee het
verband tussen de aangevoerde en afgevoerde producten kan worden
gelegd en waarmee ze in alle stadia van productie, verwerking en distributie
traceerbaar zijn.
- Meldingsplicht:
A. Elke exploitant, laboratorium, inspectie- of certificatieorganisme
moet het FAVV onverwijld in kennis brengen als ze van mening
zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een ingevoerd, geproduceerd,
gekweekt, geteeld, verwerkt, vervaardigd of gedistribueerd product
schadelijk kan zijn voor de gezondheid van mens, dier of plant;
B. Verder moeten onmiddellijk de procedures opgestart worden om het
product terug te roepen. Indien het product de consument al kan
bereikt hebben, moet ook deze op de hoogte gebracht worden, desnoods
met een persbericht, en indien nodig moeten ook deze producten worden
teruggeroepen. Het FAVV moet van dit alles op de hoogte worden gebracht.
Vraag 26 : Hebben GBM
een nadelige invloed op bijen en andere nuttige insecten ?
Bijen behoren tot de groep van nuttige organismen. Ze spelen een belangrijke
rol bij zowel de bestuiving van bepaalde gewassen als bij de honingproductie.
Daarom worden er voor de toekenning van een erkenning voor een gewasbeschermingsmiddel,
steeds studies geëist over de eventuele schadelijke effecten op nuttige
organismen (waaronder bijen).
De toxiciteit (oraal of contact) van gewasbeschermingsmiddelen voor bijen
wordt bestudeerd aan de hand van specifieke labotesten.
In bepaalde gevallen worden er voor een bepaald product veldproeven uitgevoerd
volgens de goede landbouwpraktijken. Deze proeven worden uitgevoerd op
drie percelen met uitermate pollenrijke gewassen. Deze drie percelen dienen
voldoende ver van elkaar verwijderd te zijn zodat de bijen niet van het
ene perceel naar het andere kunnen gaan. Eén perceel wordt behandeld met
het te testen middel, één perceel wordt niet behandeld en één perceel
krijgt een behandeling met een product met gekende toxiciteit. Door vergelijking
van de resultaten van de drie percelen kan het mogelijke risico van het
nieuwe middel ten opzichte van bijen worden geëvalueerd.
Wanneer het nieuwe product toxisch voor bijen blijkt te zijn, en dus
een gevaar vormt voor insecten, dient volgende informatie op het etiket
toegevoegd te worden: 'Gevaarlijk voor bijen. Om de bijen en andere bestuivende
insecten te beschermen mag u dit product niet gebruiken op in bloei staande
gewassen. Gebruik dit product niet op plaatsen waar bijen actief naar
voedsel zoeken'.
Voor producten die niet schadelijk zijn voor bijen of voor dewelke geen
enkel gevaar kon worden aangetoond bij toepassing volgens de goede landbouwpraktijken,
dienen geen specificaties te worden toegevoegd op het etiket.
Elk product dat wordt toegepast zoals aangegeven op het etiket en
zoals vermeld op de erkenningsakte vormt geen enkel risico voor bijen,
noch voor andere nuttige organismen.
Vraag 27
: Wat is de visie van Phytofar betreffende het voorzorgs- en het substitutieprincipe
?
Het voorzorgsprincipe bepaalt dat een product niet gebruikt mag worden
en dus niet op de markt gebracht mag worden wanneer er geen wetenschappelijke
gegevens voor handen zijn en zolang er geen duidelijke antwoorden zijn
op alle vragen die over het product zijn gesteld.
Phytofar is de mening toegedaan dat het voorzorgsprincipe voor gewasbeschermingsmiddelen
niet kan toegepast worden daar er voor elk middel slechts een erkenning
gegeven wordt wanneer het middel voldoet aan alle toxicologische en ecotoxicologische
eisen die worden opgelegd door de nationale en Europese wetgevingen. Producterkenningen
zijn gebaseerd op risico-evaluaties waarbij eveneens rekening gehouden
wordt met de effectiviteit van producten en met resistentiemanagement:
Wanneer één of meerdere producten in land- en tuinbouw verboden zouden
worden volgens het voorzorgs- of volgens het substitutiebeginsel, kan
dat leiden tot een gebrek aan efficiënte oplossingen voor bepaalde problemen.
Bovendien zullen dan steeds dezelfde overblijvende middelen worden ingezet,
wat dan weer een probleem van resistentie zal veroorzaken.
Beide beginsels zijn niet van toepassing daar enkel producten erkend
en dus verkocht en gebruikt worden als bewezen is dat ze bij correct gebruik
geen enkel risico vormen voor mens, dier of milieu.
|