Boek 75 jaar Phytofar


Hieronder vindt u alvast enkele fragmenten en een link naar de desbetreffende hoofdstukken in de online-versie van het boek.

Voor meer informatie, contacteer :

Veerle Van Damme - 02 238 98 54 - mail
Het gebruik van GBM is even oud als de landbouw zelf. Door de eeuwen heen was het een kwestie van overleven. Een mislukte oogst betekende hongersnood en op noodhulp van buitenaf hoefde men vóór de 20e eeuw niet te rekenen. Volgens John Unsworth was er al zo’n 4.500 jaar geleden sprake van insecticiden bij de Soemeriërs (in Mesopotamië, tegenwoordig een deel van Irak). Die gebruikten een zwavelhoudend mengsel om insecten en mijten de baas te blijven. Ook lang voor onze tijdrekening gebruikten de Chinezen al kwik en mengsels met arsenicum tegen luizen, terwijl de landbouwers in het oude Griekenland en in het Romeinse rijk allengs beseften dat ze er met religie of magie niet zouden in slagen plantenziekten en insectenplagen klein te krijgen.

Langzamerhand worden de fabrikanten van chemische producten, en in het bijzonder fytofarmaceutische producten, een illusie armer. Ze komen tot het besef dat we met zijn allen ook voor het efficiëntste product een prijs betalen. Het is immers altijd iets: ofwel lijden biodiversiteit of leefmilieu er in meer of mindere mate onder, ofwel kunnen we met deze producten onze gezondheid in gevaar brengen. Zoveel is zeker: goede, efficiënte bestrijdingsmiddelen zijn geen wondermiddelen. De milieubeweging zal op de lange duur een aanzienlijk deel van de publieke opinie weten te mobiliseren. En ook de wetenschap staat niet stil.

Glyfosaat dus. Wat rondbellen naar insiders levert alvast wat algemene informatie op. Het wordt duidelijk dat Monsanto ontzaglijk veel onderzoek heeft gedaan vooraleer het besloot met zijn Roundup, met glyfosaat als werkzame stof, voor de dag te komen. Het bedrijf communiceerde ook veel over de milieuveiligheid van het product. Eigenlijk was de toxiciteit ervan nauwelijks een probleem, alvast op basis van de toen, in de jaren 70, gangbare tests. En wat de milieueffecten betreft: indertijd kon men niet anders dan concluderen dat het een zeer ‘clean’ product was… Maar het aantal tests is toegenomen en de mentaliteiten zijn geëvolueerd en hier en daar begon men zich af te vragen of het cleane imago wel verdiend was.

M. Trybou : Dat klopt. Wel moetende laboratoria die de studies uitvoeren heel transparant rapporteren en hierop ook gecontroleerd worden. Bovendien hebben ze zich te houden aan de juiste proefprotocollen, zodat de resultatenvergelijkbaar zijn. Het is geen optie dat de overheid zelf de studies uitvoert, daarvoor bestaat simpelweg geen capaciteit. Maar dankzij het huidige GLP-accreditatiesysteem(waarbij GLP staat voor Good Laboratory Practice) en de Europese gegevensvereisten kunnen de laboratoria een degelijk dossier opstellen waarop een overheid zich wel degelijk kan baseren.

Het spreekt vanzelf dat we ook ons oor te luisteren leggen bij de industrie. Het duurt ten minste 10 jaar en het kost tegen de 250 miljoen EUR en méér om een gewasbeschermingsproduct (actieve stof en gerelateerde formulering) op de markt te krijgen. Het is een mantra die onze gesprekspartners telkens weer debiteren. Die 250 miljoen blijkt trouwens al enigermate achterhaald. “Vergelijk het gerust met geneesmiddelen”, zo krijgen we ook wel eens te horen: “het duurt toch ook jaren voor die in de apotheek liggen en het kost ook een fortuin om ze te ontwikkelen. En bij gewasbeschermingsmiddelen dient niet alleen aan het fysiek welzijn van de mens gedacht te worden, maar ook nog eens aan het effect ervan op het leefmilieu…”

G. Sterk : We zullen altijd chemische middelen nodig hebben. We beschikken nu ook over heel selectieve middelen, dus efficiënte middelen, maar een doordachte resistentieaanpak is geboden.

De associatie benadrukt ook het verschil tussen risico en gevaar. Zeker, gewasbeschermings-
middelen zijn toxisch, dus gevaarlijk, al werkt de industrie al jaren en met succes aan producten met een veel lagere toxiciteit. De GBM zijn alleen fataal voor de geviseerde insecten en schimmels die ermee in aanraking komen en dat is ook de bedoeling. De toegediende dosissen zijn uiterst gering. De huidige producten zijn zeer gefocust en breken snel af. Bedenk hierbij dat het oude gezegde van Paracelsus eeuwig geldig is: het is de dosis die bepaalt of een substantie giftig is. Ook een teveel aan gegarandeerd zuiver kraantjeswater opnemen, kan fataal zijn.

In de hoop een positieve bijdrage te leveren aan het debat rond de ecotaksen, beslist de raad van bestuur van Phytofar in 1996 om een vzw op te richten die de inzameling van de lege verpakkingen van de gewasbeschermingsmiddelen op zich zou nemen. Na een voorstel van voorzitter Bernard Demaire beslist de raad om de handelaars erbij te betrekken. Geruggesteund door de omnipresente en efficiënte secretaris-generaal Georgette Detiège, wordt Luc Michiels, voormalig voorzitter van Phytofar, de eerste voorzitter van deze organisatie, die als wereldprimeur nadien alleen maar navolging kreeg.

In gesprekken over de toekomst valt in landbouwkringen al gauw het buzzword: precisielandbouw. Agriculture de précision, precision farming, Präzisionslandwirtschaft: zo internationaal is het begrip inmiddels al wel geworden. Ik had er eerst geen idee van dat er zoiets bestond of bezig was te ontstaan, en evenmin, al was de naam suggestief genoeg, wàt hij precies inhield. Men had me al wel de lof gezongen van de GPS, die kennen we tegenwoordig tenslotte allemaal. En bij een oppervlakkig bezoek aan het internet had ik ook gemerkt dat er sprake was van het inzetten van drones, kennelijk niet alleen onbemand, telegeleid oorlogstuig, van sensoren en van robotisering. En al gauw begrijp je dat in precisielandbouw niet over hectaren maar over kleine lapjes grond van amper één vierkante meter wordt gesproken, die elk op basis van een massa gegevens een gedifferentieerde behandeling krijgen. We zijn nog niet toe aan een behandeling plant per plant, maar we evolueren wel stilaan in die richting. Het heeft zeker zijn gevolgen voor de gewasbeschermingssector.

P. Jaeken : De rol van de klassieke chemie wordt zeker wel bescheidener, dat proces is al volop bezig. Maar het lijkt er inderdaad fel op dat er nog wel chemie zal zijn en nog méér: biochemie.
Ik vergelijk het graag met de hoge vlucht die de geneeskunde heeft genomen. Toch blijft daar ook het pilletje tegen hoofdpijn bestaan. De manier waarop we die chemie aanwenden zal wel nogal verschillen met wat we vandaag doen. Het hokjesdenken zal ook stilaan wel moeten wijken. Je kan in een aantal gevallen bijvoorbeeld perfect biologische oplossingen in klassieke-synthese installaties produceren en in het veld zullen diverse methoden nog vaker door elkaar gebruikt worden.